Interview NNO Altvioolsextet

door Kristofer G. Skaug

English version below! Follow this link.

Op 27 mei as. geeft  het NNO Altvioolsextet een optreden in het Muziekinstrumentenmuseum Vosbergen in Eelde. Het viel de DVS-redactie op dat dit ensemble al vaker opgetreden heeft, en dat er dus sprake moet zijn van meer dan een gelegenheidsclub. Reden om een beetje door te vragen!

DVS: Wie zijn jullie, en hoe lang spelen jullie al samen bij het NNO en in het sextet?

NA6: In het NNO Altvioolsextet spelen Christophe Weidmann, Martin Manak, Kees Dekkers, Ulrike Adam, Katharina Saerberg en Kristin Stets. In 2011 hadden we twee concerten met de hele altvioolgroep van het NNO georganiseerd. Na deze concerten bleven er zes altviolisten over die als sextet door wilden gaan.

DVS: Het aanstaande programma bevat veel bewerkingen (Bach, Brahms, Bloch enz.), hoe komen jullie daar aan?

NA6: Veel met andere altviolisten praten en vragen, veel op internet zoeken…  Een paar bewerkingen hadden we al. Voor het eerste concert heeft onze vioolcollega/arrangeur  Gijs Philip van Schaik de Roemeense dansen van Bartok fantastisch gearrangeerd, daarna nog Hongaarse dansen van Brahms. En we hebben het geluk dat Kristin haar talent tot arrangeren ontdekt en de laatste jaren heel hard voor ons gewerkt heeft!

DVS: Er wordt veel nieuwe muziek geschreven voor altviool-ensembles. Spelen jullie ook wel eens muziek van hedendaagse componisten?

NA6: Gijs Philip van Schaik heeft voor ons een stuk geschreven, Impatient Dance voor 5 altviolen in 5/4 maat. Heel leuk. Dat is tot nu toe het enige werk van een hedendaagse componist. Maar we staan natuurlijk voor alles open.

DVS: Zien jullie een wisselwerking tussen jullie samenspel als orkest-sectie (onder leiding van dirigent en aanvoerder) en het kamermuzikale samenspel als altvioolensemble? Hoe komt dat tot uiting?

NA6: Wat een moeilijke vraag….Daar hebben we nog niet over nagedacht. De altvioolgroep van het NNO is sowieso een goede een gezellige groep. Maar je speelt natuurlijk anders samen kamermuziek dan in het orkest, waar je toch nooit precies hoort hoe iedereen speelt. Het samenspelen in het sextet beinvloedt zeker het orkestspel in de altvioolgroep. Onlangs hadden we ook een samenspeeldag met de hele groep. Het grote voordeel van een altvioolensemble is dat iedereen een gelijkwardige partij kan hebben . Geen eerste, tweede viool, bij elk stuk worden de rollen opnieuw verdeeld.

Behalve het sextetten, zou de altvioolsectie van het NNO een educatieve en promotionele functie kunnen vervullen voor de altviool, als competentiekern in Groningen e.o.?

Daar hebben we ook nog niet over nagedacht. We spelen vooral graag samen en genieten van de gezelligheid. Maar het is wel een goed idee om daar eens over na te denken en dan ook in samenwerking met altviooldocenten uit de regio.

Het NNO altvioolsextet speelt werken van Bach, Bloch, Bartok, Tchaikovsky en Brahms in het Muziekinstrumentenmuseum Vosbergen in Eelde. 
Zaterdag 27 mei 2017, aanvang 20:00u. Meer informatie …


~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

English Version:

On May 27th, the NNO Viola Sextet gives a performance in the Musical Instruments Museum Vosbergen in Eelde. It came to our attention that this ensemble has performed together several times before, so it must be more than an ad-hoc club. Reasons enough for us to ask a few questions!

DVS: Who are you, and how long have you played toegether at the NNO (Noord-Nederlands Orkest) and in the sextet?

NA6: The members of the NNO Viola Sextet are Christophe Weidmann, Martin Manak, Kees Dekkers, Ulrike Adam, Katharina Saerberg and Kristin Stets. In 2011 we organized two concerts with the entire NNO viola section, and after that there were six of us who wanted to continue as a sextet.

DVS: The upcoming programme includes many transcriptions (Bach, Brahms, Bloch etc.), how did you come across these works?

NA6: We talked a lot with other violists and set out our queries on internet… some of the transcriptions were already there. For the first concert, our violinist colleague and arranger Gijs Philip van Schaik made an amazing transcription of the Bartok Romanian Dances, followed by the Brahms Hungarian Dances. And we have been lucky that Kristin has explored her own transcription talents and has applied herself with a lot of hard work in recent years!

DVS: A lot of new music is being composed for viola ensembles. Do you also occasionally play pieces by contemporary composers?

NA6: Gijs Philip van Schaik wrote a piece for us, Impatient Dance for 5 violas in 5/4 beat. Very enjoyable. That is the only piece so far by a contemporary composer. But we are of course open to everything.

DVS: Do you perceive an interaction between your ensemble playing as orchestra section (led by conductor and principal chair), and the chamber musical ensemble of the sextet on the other hand? If so, how does this show?

NA6: What a difficult question … we haven’t thought about that. The NNO viola section is at any rate a good and convivial group. But chamber music interaction is of course different than orchestra playing, where you can never hear exactly how everybody else plays. For sure, the sextet playing influences our orchestra performance. We recently also had a workshop day with the whole section. The big advantage of a viola ensemble is that everyone can play an equally interesting part. No first, second and third fiddle – in each piece, the roles are redistributed across the group.

Besides the sextet, do you see a role for the NNO viola section in educational and promotional sense, as a centre of competency in the Groningen region?

We haven’t given much thought to that either. We primarily like to play together and enjoy each other’s company. But it is certainly a good idea to have a think about that, also in cooperation with the viola teachers in our region.

The NNO viola sextet plays works by Bach, Bloch, Bartok, Tchaikovsky and Brahms in Muziekinstrumentenmuseum Vosbergen, Eelde. 
Saturday May 27th 2017, starting at 20:00h. More information …


Interview Oene van Geel

door Kristofer G. Skaug

English version below! Follow this link.

Oene van Geel: altviolist, improvisator, componist. In 2013 winnaar van de prestigieuze Boy Edgar prijs. Deze week is hij in beeld bij het Amsterdam Viola Festival, waar hij zowel als componist, masterclassdocent en musicus deelneemt. Tegelijkertijd treedt hij op met zijn groep “Estafest” in het Bimhuis. Vorig jaar is ook zijn eerste solo-CD uitgekomen, “Sudoku”. De DVS ging op bezoek bij Oene thuis in Landsmeer om deze muzikale allesvreter beter te leren kennen.

DVS: Denk je bij het componeren primair aan bezettingen, of meer aan specifieke mensen en groepen?

Ik denk zoveel mogelijk vanuit specifieke mensen. Toen ik het altvioolconcert ging schrijven ging het mij veel meer om de persoon Emlyn Stam (voor wie het concert geschreven werd, red.), dan dat ik iets voor altviool wilde maken. Ik ging in overleg met hem, waarbij het ook ging om de mensen in zijn New European Ensemble. We hebben uitgebreid gesproken over zijn muzikale voorkeuren. Ik vind het juist zo gaaf om iets te schrijven voor mensen die mij inspireren, dat geeft heel veel richting. Dode musici en dode componisten, die kunnen niet meer overleggen – hoe mooi die muziek ook is.
Wat bezetting en muziekstijl betreft, ik vind het hele spectrum interessant, van zeer uitgesproken rytmisch tot heel melodisch of harmonisch. Noem mij maar een nerderige knutselaar, die allerlei dingen probeert te ontleden tot de kern. En dan kun je van alles daarmee gaan combineren.

DVS: Je hebt voor het komende Nationaal Altvioolconcours twee stukjes geschreven, is dat voor het eerst dat je een concoursstuk schrijft?

Nee, ik heb voor de Cellobiënnale in 2008 een concoursstuk gemaakt, dat was hartstikke leuk om te doen. Het eerste deel daarvan wordt nog steeds veel gespeeld. Het derde deel heb ik onlangs herschreven, omdat het eigenlijk te moeilijk was.  Dat was leerzaam.

En met deze stukken hoop ik om altisten iets nieuws mee te geven, dat ze met andere dingen in aanraking komen.

Voor het eerste stuk (“Skip Count Sweet Miles”) leek het me leuk om iets te doen met totale jazz-esthetiek, met mensen zoals Lee Konitz en Warne Marsh, Amerikanen die vooral samen met anderen zich baseerden op standards van bekende stukken, maar daar op een eigenzinnige manier geraffineerde themas overheen schreven. Ik heb drie stukken van Monk, Coltrane en Dave Brubeck gemengd tot één stuk, en daar ben ik een thema op gaan bouwen.

DVS: Hier zit een basgitaar track bij, best snel!

Ja, daarom heb ik later een paar langzamere tempi meegegeven als alternatief. Het gaat mij erom dat er een bepaalde swing of drive erin zit.

20170209_008

Oene coacht concoursdeelnemer Hessel Moeselaar in “Skip Count Sweet Miles” met contrabas

DVS: En het tweede stuk “Gesualdo’s Bovenkamer” is heel anders, met juist vrije tempi?

Gesualdo was een interessante componist. Zijn levensverhaal was dramatisch, hij vermoorde zijn eerste vrouw, uit jaloezie. Maar zijn muziek is nog bijzonderder. Ik kocht een CD van Collegium Vocale Gent met een paar van zijn madrigalen, en ik raakte gebiologeerd door die klankwereld, hele boeiende muziek. Je herkent er wel de wetten van contrapunt en stemvoering in, maar het moduleert alle kanten op! Uit een aantal van deze madrigalen heb ik elementen gehaald, en die fragmenten van 5-stemmige muziek heb ik teruggebracht naar een altviool solostuk. De originele eindsequens van 4 harmonieën heb ik doorgebouwd, die systematiek heb ik doorgezet naar een langere afdalende lijn. Er zijn drie gemarkeerde gedeelten in dit stuk, en daartussen zitten twee korte improvisatieplekken waar de deelnemers iets van zichzelf kunnen laten horen. Ik hoop dus dat deze plekken elke keer totaal anders zijn! Misschien bedenken de deelnemers zelf van tevoren een kadens, of een spontane improvisatie ter plekke. Mijn enige verwachting is dat deze inbreng ergens in verhouding staat tot de door mij uitgeschreven noten.

DVS: Spannend voor de altviolist om op avontuur te gaan met dit stuk!

Het avontuur van de improvisatie, dat vind ik ook leuk om als luisteraar mee te maken, en daar wou ik de concoursdeelnemers ook in stimuleren. In het eerste stuk (Skip Count…) loopt de begeleiding (bas) gewoon door, dat heb je mee te “dealen”. Daarom is het mooi als contrast, een tweede stuk waar je helemaal zelf de boog mag maken.

DVS: Behalve dit contrast, had je een verband gedacht tussen deze twee stukken?

Nee, bewust niet. Er was eerst ook een derde deel bij, een stuk helemaal pizzicato, in gitaarhouding. Dan vraag ik wéér een helemaal andere techniek en een onbekende speelwijze. Het werd echter te lang en teveel nieuw materiaal bij elkaar, dus dat laatste deel heb ik weggelaten. Maar ik had dus bewust drie heel vershillende stukken bedacht.

DVS: De twee eerste stukken veroorzaken misschien al genoeg “angst”?

Ik hoop dat we het niet over ‘angst’ hoeven te hebben, en meer over wat er te ontdekken valt! Het is een concours, maar het gaat mij niet om wie ‘de beste’ is. Ik wil vooral zien wat er bij eenieder te halen valt. Soms kunnen gevoelens van weerstand en angst je wel uit de automatische piloot halen, waardoor je wel verder komt, dus dat gevoel is in mijn optiek niet altijd verkeerd, als het maar geen kramp wordt. Maar ik hoop vooral dat er een gevoel gaat heersen van ‘oh, leuk!’ eerder dan ‘oh, help!’, want dat laatste is niet wat ik beoog met zo’n concoursstuk.

20170209_012

Workshop met Oene bij Conservatorium van Amsterdam, vorig week.

DVS: Je bent net terug van een reisje naar Taiwan – wat heb je daar gedaan?

Met de Nordanians heb ik daar op een percussiefestival gespeeld. De Nordanians is een groep met tabla (indiase drums, red.), gitaar, ik op vijfsnarige viool en tegenwoordig ook een bayan (een Russische knoppen-accordeon). En we hebben een chinese gast-percussionist, een jongen die ook klassiek slagwerk heeft gestudeerd, en nu voor dirigent studeert in Helsinki, hij speelt harstikke goed. Dus we waren met z’n vijven dit keer. Op een gegeven moment werd ik door vier man gedragen terwijl ik op een grote Chinese trommel  stond te spelen. Het was een heel leuk avontuur. Er waren veel slagwerkgroepen, vooral uit Azië. Het is leuk als je zo ver weg bent, in een hele andere entourage, en je toch ook zo welkom voelt.

Het was al de 10e keer dat dit festival georganiseerd werd. Stampvol, veel publiek. Twee Taiko-groepen uit Japan, met fluit en Shamisen erbij; en traditionele Chineze groepen. Wij waren erbij als cross-over groep, met ook invloeden uit Indiase muziek, jazz, kamermuziek, balkan, Moldavië…  daarin waren wij wel heel anders dan de meeste andere groepen, maar dat vond men hartstikke leuk.

DVS: Je hebt een aantal musici om je heen, verschillende bezettingen: Je strijkkwartet Zapp4, The Nordanians, en nog meer?

Ik heb ook een duo met Mark Haanstra op basgitaar, we spelen al 20 jaar samen, zeer boeiend. Je moet alles met z’n tweeën overeind houden. Alle passages die normaal gesproken door een violist worden gespeeld, moeten dan op de altviool eruit komen. Dat gaat dus soms opeens enorm hoog en snel, dan kan ik totaal niet achterover leunen. Maar het is heel leuk om met z’n tweeën te wisselen tussen heel sober spelen en groots orkestraal uitpakken. Hoe kleiner de bezetting, hoe flexibeler kun je reageren, net als in de kamermuziek.

Een andere belangrijke groep is Estafest: Gitaar, piano, sax, en ik op altviool en percussie. Ten tijde van het altvioolfestival spelen wij in het Bimhuis.

DVS: Zoek je in elke groep bewust er iets anders uit te kunnen halen?

Ja, zeker! Maar het gaat mij vooral heel erg om de persoonlijkheden die erin meespelen, en er is altijd wel een link met geïmproviseerde muziek. Er is geen ene groep waar er alleen maar vaststaande noten worden gespeeld – dat doe ik als componist al genoeg. Ik vind het als speler vooral leuk om samen met elkaar de muziek te boetseren.

DVS: Zijn de muziekstijlen dan ook heel anders in deze ensembles?

Ja, bij de Nordanians is Niti Ranjan bijvoorbeeld een grootmeester op de Tabla – hij kent die muziek van haver tot gort. Ritmisch is onze muziek dus heel erg door indiase muziek geïnspireerd. Maar wat we harmonisch en melodisch daarop doen heeft meer met moderne jazz te maken. Maar het is geen abstracte band. Estafest kan daarentegen soms een heel abstracte kant op gaan. Het is juist leuk dat je niet bij elke band hetzelfde hoeft te doen.

Wat ik ook heel spannend vind is een nieuwe duo met een danseres, dus altviool en dans. Zij heet Miri Lee, en komt oorspronkelijk uit Korea. Dat is helemaal geïmproviseerd, en uit al die dansbewegingen krijg je zo’n andere soort informatie, vergeleken met collega musici. Het is heel boeiend om naar dans te kijken en te ervaren wat dat oproept, waardoor je vaak meer “beeldend” werkt en denkt.

DVS: Soms benadert het lichamelijke werk van een musicus ook een soort choreografie; er wordt vaak gediscussieerd over niet-functionele “uitspattingen” bij podiumartiesten, terwijl oude helden als Menuhin en Heifetz geen spier teveel gebruikten.

Daar valt veel voor te zeggen, want als je perfect efficiënt bent, kom je technisch waarschijnlijk verder. Het belangrijkste is om te weten wat je bij jezelf vindt passen. Zelfbeheersing moet niet als een keurslijf aanvoelen, maar aan de andere kant moet je ook niet denken dat je alleen voor de show moet bewegen. Interessante vraag: Hoe sta je als speler, componist en mens uberhaupt dicht bij jezelf? Dat moet je zelf ontdekken, en af en toe eens ook uit de bocht durven vliegen.

DVS: Je krijgt heel veel minutieuze instructies op (alt)vioolles, continu prikkels en correcties. Het is moeilijk om daardoorheen nog je eigen authentieke lichaamstaal te ontdekken.

In die zin heb ik zelf een onorthodox parcours gedaan. Ik had wel klassiek bijvak, maar ik heb altijd vooral op mijn eigen manier gespeeld: Technieken verzonnen die ongebruikelijk zijn, en heel eigenwijs klassikale technieken niet geoefend.

Sudoku_vanGEel

Oene’s eerste soloalbum, “Sudoku” (2016)

DVS: Je concoursstukken zijn voor de klassieke conservatoriumstudenten aanleiding om uit hun comfort zone te worden getrokken met jazz en improvisatie. In het algemeen moet een musicus in staat zijn om muziek zelfstandig uit te vormen met frasering en klank. Wordt er bij klassieke muziekstudenten wel genoeg tijd voor uitgetrokken om de muzikale fantasie te stimuleren?

Ik heb veel overleg gehad tussendoor met Marjolein Dispa en Francien Schatborn (docenten van het CvA, red). Ik heb met Francien en ook Joël Waterman samen in de altvioolsectie gezeten bij een project het muzikantencollectief Splendor. Francien vond dit project super leuk en wilde graag nieuwe invloeden bij het Conservatorium in huis halen. Dit is een soort speldenprik om de jonge musici in die richting te bewegen. Ik vond het heel belangrijk om, naast de noten van mijn stukken, ook allerlei voorbeelden (YouTube-links) aan te mogen leveren die samenhangen met deze muziek – o.a. de Gesualdo-madrigalen, en voorbeelden van Konitz, Monk, en Miles Davis. Het is fijn dat de studenten te weten komen waar ik het allemaal vandaan heb, welke tradities er achter de noten staan. Dat moet niet per se, maar het kan hen wel op ideeën brengen. Al is het maar dat ze een ochtendje thuis uittrekken om de klankwereld van Gesualdo in te duiken. Dan is er al iets bereikt.

Ik ben zelf altijd heel nieuwsgierig naar vensters op iets nieuws. De eerste keer dat ik Quatuor pour la Fin du Temps (Messiaen) hoorde, er ging een wereld voor mij open. Of als ik bepaalde stukken van Penderecki eens hoor. Nieuwe geluiden kunnen je beeld zo verrijken. Dus zo’n nieuwe compositie kan aanleiding zijn tot zelfwerkzaamheid en een soort veldonderzoek. Maar dat is ook de graver en de nerd in mij die altijd maar wil zoeken en fascinerende dingen vindt die hij wil gaan uitpluizen. Iedereen is anders natuurlijk, maar het zou leuk zijn als er mensen bij het concours zijn die daar ook in gestimuleerd worden.

DVS: Behalve met je vaste groepen, zijn er optredens geweest met musici aan wie je bijzondere herinneringen koestert?

Ja, dan moet ik meteen denken aan de samenwerking van Zapp4 met Jan Bang. Dat is een Noorse elektronica-speler, hij had van ons allevier het microfoonkanaal aangesloten en werkte met live sampling/ klankmanipulatie. Wij waren helemaal aan het improviseren, en hij kon als een schaker de verschillende samples naast elkaar leggen en op nieuwe manieren combineren in tijd, soms ook met een nieuwe toonhoogte. Daar reageerden wij dan weer op, en zo ontstond een hele bijzondere klankwereld. Het is alsof je de muziek teruggespiegeld krijgt, maar dan vervormd, zodat er ook nieuwe dingen ontstaan. Die combinatie van akoestisch en elektronica werd heel bijzonder, dankzij zijn organische spelenderwijs componeren met het opgenomen materiaal. Alles was gebaseerd op een “open visier” aanname van onze klanken, expres zonder andere inbreng “van buitenaf”.

DVS: En daarnaast zijn er misschien mensen met wie je nog graag in de toekomst zou willen samenwerken?

Zeker! Theo Loevendie is een van mijn grote helden; componist en nu 86 jaar en nog altijd heel actief. Hij speelde tot zijn 84e nog saxofoon maar moest daarmee stoppen vanwege de oogdruk. Dus nu speelt hij piano. Hij maakt daar enorme vooruitgang mee. Op het festival Wonderfeel (in juli) komt een premiere van een nieuw stuk van hem, geschreven voor Erik Bosgraaf, hem en mijzelf. Theo is voor mij hèt voorbeeld van iemand die altijd blijft zoeken, contact maakt met alle generaties, componeert, speelt, en improviseert. Ik vind het een grote eer om in zijn nieuwe stuk, samen het hem te mogen spelen.

Oene van Geel geeft workshop Improvisatie tijdens DVS congres 2013

Oene van Geel geeft workshop Improvisatie tijdens DVS congres 2013

DVS: Wij zitten natuurlijk ook te hopen dat je iets wilt doen bij het Internationale Altvioolcongres in Rotterdam, dat we in november 2018 gaan organiseren.

Klinkt harstikke leuk, ja! Dat najaar doe ik ook mee bij het festival November Music in Den Bosch, daar wordt dan van mij een dubbel celloconcert en opnieuw het altvioolconcert (met Emlyn) uitgevoerd. Ik zou het ook erg leuk vinden om dan bij het congres iets met bijvoorbeeld George Dumitriu samen te doen. Een altvioolkwartet misschien, dat lijkt mij een mooie uitdaging!

DVS: Ik zou zeggen, “hold that thought”! En dank voor je tijd!

De concoursstukken van Oene zijn te horen in de 1e Ronde van het Nationaal Altvioolconcours, op 15-16 februari as.. De door de jury als beste gekozen vertolking van deze stukken wordt nog eens uitgevoerd bij de “Bonte avond” op zaterdag 18 februari in Splendor, aanvang 20.30u.

Het altvioolconcert van Oene wordt uitgevoerd door Annemarie Hensen, begeleid door een conservatorium-ensemble met Oene zelf op cajon! Donderdag 16 februari in de Sweelinckzaal van het CvA, aanvang 19.30u.

Het optreden van Estafest in het Bimhuis Amsterdam is ook op donderdag 16 februari, aanvang 20.30u (meer informatie: http://bimhuis.nl/concerten/estafest-8).

Oene geeft daarnaast een masterclass improvisatie op zaterdag 18 februari in de Haitinkzaal van het conservatorium, aanvang 11.00u.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

English Version:

Oene van Geel: violist, improviser, composer. In 2013 he won the prestigious Boy Edgar award. This week he is in the picture at the Amsterdam Viola Festival, where he participates in the capacity of composer, masterclass teacher and musician. He also performs with his group “Estafest” in the Bimhuis this week. Last year he released his first solo album “Sudoku”. The DVS visited Oene at home in Landsmeer, to learn more about this multi-talented musician.

DVS: When you compose, do you think primarily in terms of instrumentation, or rather about the specific people you are writing for?

I tend to think as much as possible about specific people. When I started out writing my viola concerto, I was definitely more preoccupied with the person Emlyn Stam (for whom the concerto is written, red.) than with the purpose of creating something for the viola as such. I talked to him, also about the people in his New European Ensemble. We discussed extensively about his musical preferences. I particularly enjoy writing music for people who inspire me, this gives me a lot of direction. Dead musicians and dead composers are not able to discuss with each other, no matter how beautiful their music may be.

In terms of instrumentation and musical style, I am interested in all styles, from markedly rhythmical to very melodic or harmonic music. You can call me a nerdy dabbler, who tries to reduce (musical) things to their core. And then you can combine all sorts of things with that.

DVS: For the upcoming National Viola Competition, you wrote two pieces. Is this the first time that you wrote a competition piece?

No, I also composed for the National Cello competition at the Cellobiënnale in 2008, and I really enjoyed that. The first movement of that piece is still frequently played. I recently re-wrote the third movement, because it was really a bit too difficult. So that was a learning point.

With these viola pieces I hope to offer something new to violists, so that they get in touch with other things than they’re used to.

For the first piece (“Skip Count Sweet Miles”) I thought it would be fun to do something purely jazz, inspired by people like Lee Konitz en Warne Marsh, Americans who – in cooperation with others – started with standards of well-known pieces, but wrote their own refined themes on top of that, in their very own wayward manner. I have mixed three pieces by Monk, Coltrane and Dave Brubeck, and then built a theme based on that.

DVS: There’s a bass guitar track to go with this piece, and it’s quite fast!

Yes, and therefore I added a few tracks with slower beats later on, as options. The important thing is that there’s a certain swing or drive in the performance.

DVS: And the second piece, called “Gesualdo’s Bovenkamer” (Gesualdo’s Top Floor) is very different, with free tempi?

Gesualdo was an interesting composer. His life story was a dramatic one: he murdered his first wife out of jealousy. But his music is even more special. I bought a CD by Collegium Vocale Gent with a few of his madrigals, and I was fascinated by that sound idiom, very captivating music. You can recognize the laws of counterpoint and voice leading in this music, but it modulates all over the place! From a number of these madrigals I took some elements; and these fragments in five voices were then boiled down to a solo viola piece. I also extended the system in the original closing sequence of four harmonies, into a longer descending line. The piece has three marked sections, with two breaks for short improvisations. This is where the contestants can really expose something of their own. So I do hope that these two improvs are very different every time! Maybe the contestants have worked out a cadenza in advance, or they do a spontaneous improv on the spot. But I would still hope that this own contribution bears some relation to my written score.

DVS: It is surely exciting for the violist to get to be adventurous with this piece!

The adventure of improvisation, I enjoy this experience as a listener, and I wanted to encourage the competition candidates in this respect. In the first piece (Skip Count…) the bass runs along whatever happens, and you have no choice but to deal with that. That’s why the second (Gesualdo) part is such a gratifying contrast, where you are in control of the flow of time.

DVS: Apart from this contrast, did you have a logical connection between the two parts in mind?

No, consciously not. Initially I also had a third piece in mind, altogether pizzicato, to be played guitar style. This requires yet another uncommon technique. But it all became too long and too much new material for the purpose and timeframe of this project, so I left out that last part. But the point is that I had conceived on three completely different pieces, on purpose.

DVS: The two first pieces may already cause enough anxiety among the contestants?

I really hope that we won’t have to discuss anxiety in this context, just all the features that are there to be discovered! Yes, it is a competition, but it is for me not so important who “the best player” is. I most of all want to see what potential each player offers. Sometimes, feelings of resistance and fear can help to kick you out of the ‘automatic pilot’, thus advancing your progress. So such discomfort is in my view not necessarily a bad thing, so long as it doesn’t work like a constraint.  But I mostly hope that my music will evoke a feeling of “oh, great!” rather than “oh, help!”, because the latter is certainly not my intention with this piece.

DVS: You just returned from a trip to Taiwan – what did you do there?

There was a percussion festival there, and I played with the Nordanians, a group with tabla (indian drums), guitar, myself on a 5-string viola and currently also a bayan (a Russian accordeon). And we have a Chinese guest percussionist, a guy who also studied classical percussion and now studies conducting in Helsinki. He’s a really good player. So there were five of us this time. At a certain point I was carried around by four men while playing big Chinese drum. It was a great adventure. There were lots of percussion groups, mainly from Asia. It’s very nice when you’re so far from home, in a completely different setting, and still can feel so welcome.

This was the 10th edition of this festival. Full house, lots of audience. Two Taiko groups from Japan, with flute and Shamisen (a kind of banjo), and traditional Chinese ensembles. We participated as cross-over group, with influences from Indian music, jazz, chamber music, Balkan, Moldavian music … in this respect we were definitely the “odd band out”, but we felt very much appreciated there.

DVS: You are surrounded by a number of musicians in different settings: Your string quartet Zapp4, The Nordanians… what more?

There’s this duo with Mark Haanstra on bass guitar, we’ve played together for 20 years, very stimulating. We have to keep everything going with just the two of us. All bits that usually are played by a violist, I have to somehow produce with the viola. That sometimes takes me to extreme heights and speeds, so there’s no relaxation possible. But I like the way we are able to vary between thin, modest passages and big orchestral flourish. The smaller the group, the more flexible you can react to each other’s impulses, just like in chamber music.

Another important group is Estafest: Guitar, piano, sax, en myself on the viola and percussion. During this week’s Viola Festival, I also perform with this group in the Bimhuis!

DVS: Are you consciously looking to achieve different things with the different groups?

Yes, for sure! But the most important thing for me are the different personalities that I get to play with in each band. And there is almost always a link with improvised music. None of my groups play only written, fixed notes – I get to do enough of that as a composer. As a performing musician, I particularly enjoy shaping the music, together.

DVS: Are the musical styles in your bands very different?

Yes – in the Nordanians we have Niti Ranjan, for example; he’s a true grand master of the Tabla, he knows all the ins and outs of this music. So rhythmically speaking, our music is therefore very much inspired by Indian music. But harmonically and melodically, what we put on top of that is more akin to modern jazz. However, it’s not really an abstract band.

In Estafest, on the other hand, we can sometimes take a very abstract direction. I’m very glad that I don’t have to do the same thing with every band!

I’m also very excited about a new partnership, viola with a dancer. Her name is Miri Lee, she’s originally from Korea. It is all completely improvised, and from all those dance movements you get such a different kind of information, compared to fellow musicians. It is very fascinating to watch her dance and to sense what that evokes in me, whereby I work and think more in visual terms.

DVS: Sometimes, the physical exertions of a musician also approach a kind of choreography. There are regular debates about non-functional “histrionics” of musicians on stage, while old heroes like Menuhin and Heifetz hardly made any excess movements while playing.

There’s a lot to be said for that, because if you’re perfectly efficient, you will probably advance further technically. But you should be aware what suits yourself best. Self-control should not be experiences as a straightjacket, but on the other hand you also shouldn’t be compelled to move just for the show effect. Interesting question: How do you manage as artist, composer and human being to remain authentic? This has to be your own personal discovery, whereby you also must dare to go over the edge at times.

DVS: During your violin/viola training, you receive myriads of detailed instructions, a continuous stream of stimuli and corrections. It can be hard to discover your own authentic body language through all that.

In that sense I have followed an unorthodox path. I did have classical studies as minor subjects in school, but I always played things my own way, inventing unusual techniques, while quite stubbornly neglected to practice the classical techniques.

DVS: Your two pieces for the competition are certain to draw most classical viola students out of their comfort zone, with jazz and improvisation. But in general, a musician must be prepared to shape his own music independently, in terms of phrasing and sound. Is enough time allocated at the  Conservatory to stimulate and develop the musical imagination of the classical students?

Well, I have discussed quite a bit with Marjolein Dispa and Francien Schatborn (viola teachers at the Conservatory of Amsterdam, red).  I once sat together with Francien and also with Joël Waterman in the viola section of a project at the musician’s collective Splendor. Francine loved this project, and wanted very much to draw new influences into the Conservatory.

So these pieces are a stimulus to move the young musicians in that direction. Next to the scores, I also had the opportunity to provide all kinds of examples (YouTube links) that relate to these pieces – for example the Gesualdo madrigals, and pieces of Konitz, Monk, en Miles Davis. It is important for me that the students learn where it all came from, which traditions are behind the notes. It’s not mandatory of course, but it can inspire some ideas in them. Even if they just spend one extra morning at home to explore the sound world of Gesualdo. Then we have achieved something.

I was always very curious for new things. The first time that I heard Quatuor pour la Fin du Temps (Messiaen), it was a new world for me. Or hearing certain pieces of Penderecki. New sounds can enrich your outlook so much. So new compositions promote an active stance in the musician to do field research. But then again, that is the digger and the nerd in me, who is always searching for fascinating things to sort out. So everyone is different of course, but I would be pleased if some of the competition entrants actually pick up on this.

DVS: Outside of your regular bands, have there been performances or collaborations with other musicians that you particularly enjoyed?

Yes, that immediately makes me think of the collaboration of Zapp4 with Jan Bang, a Norwegian electronics artist. He hooked into the microphone channel of each of us, and then started sampling and manipulating these sounds in real time. We were totally improvising, and he mixed and combined the different samples in new ways, sometimes even with a modified pitch. We reacted to this in our turn, and thus a very peculiar sound world arose. It was as if you get the music mirrored back at you, but transformed, so that new things were created. This combination of acoustic and electronic sound became very special, thanks to his organic and playful composing with the recorded material. All of it was based on an open acceptance of our sounds, without any external additions.

DVS: And then there are perhaps people with whom you are looking forward to work in the future?

Absolutely! Theo Loevendie is one of my big heroes; a composer, 86 years old and still going strong. He played the saxophone until very recently, but had to stop due to high eye pressure. So he started playing the piano instead, and he’s making giant strides with it. At the Wonderfeel festival (in July) he will premiere a new piece, written for Erik Bosgraaf, him, and myself. Theo is for me the ultimate example of someone who always keeps searching, connecting with all generations, composes, plays and improvises. It is a great honour for me to get to play with him in his new piece.

DVS: We are of course also hoping that you would like to contribute something at the International Viola Congress in Rotterdam, which we are working to organise in 2018.

That sounds like fun, sure! During that time, I am also contributing at the November Music festival in Den Bosch, where a double cello concerto of mine will be performed, along with my viola concerto (again with Emlyn as soloist). I would really like to work with for example George Dumitriu at your congress. A viola quartet perhaps, that sounds like a nice challenge!

DVS: Well, hold that thought! – And thanks for your time!

Oene’s competition pieces can be heard in the 1st Round of the National Viola Competition, Feb. 15-16th in the Sweelinckzaal at the Conservatory of Amsterdam. The best interpretations (as deemed by the competition jury) will be performed during the concert in Splendor Amsterdam, on Saturday Feb. 18th, starting at 20.30h.

The viola concerto will be performed by Annemarie Hensen, accompanied by a conservatory ensemble with Oene himself on cajon! Thursday Feb 16th in the Sweelinckzaal, starting 19.30h.

The Estafest performance at Bimhuis Amsterdam is also on Thursday Feb 16th, starting 20.30h. (more information: http://bimhuis.nl/concerten/estafest-8).

Oene also teaches a Masterclass Improvisation on Saturday Feb 18th int he Haitinkzaal of the Conservatory, starting at 11.00h.

 

 


Interview Jan van der Elst, vioolbouwer

door Kristofer G. Skaug

English version below! Follow this link.

Velen erkennen het belang van de verbindende middenstem in de muziek. Een belangrijke maar toch ook vaak introverte stem. De altviool valt eigenlijk vooral op als, om wat voor reden dan ook, haar stem tijdelijk zwijgt. Opeens klinkt het ensemble dun en onsamenhangend. Alle betrokkenen, behoudens wellicht de enkele eerste violen, kijken dan verbaasd op en verlangen naar de terugkeer van het vriendelijke bronzen altgeluid. De eisen die in de loop der tijd aan de altviool worden gesteld zijn echter enorm toegenomen. De welluidende middenstem moet heden ten dage ook echt luid kunnen klinken en de aandacht op zich kunnen vestigen. Dit heeft geleid tot een veelheid aan verschillende maten, timbres en innovaties.

Een vioolbouwer die zich het lot van de altviool en haar bespelers heeft aangetrokken is de Dordtse vioolbouwer Jan van der Elst. In zijn atelier te Dordrecht zet hij zich al 20 jaar in voor de ontwikkeling van de altviool. Tijdens het Altvioolfestival in Amsterdam zal hij ingaan op praktische zaken die het leven van de altist kunnen verlichten. Geen onnodige theoretische verhandelingen, maar nuttige wenken omtrent de verzorging van het geliefde strijkinstrument de altviool.

Jan_vd_Elst_website_1DVS: Hoe ben je begonnen met vioolbouwen?

Normaal gesproken ga je eerst naar school toe, en daarna bij een meester in de leer. Maar ik heb het eigenlijk precies andersom gedaan. Ik ben eerst in de leer gegaan bij vioolbouwer Robert Walters in Rotterdam (bij velen bekend als “Rob Viool”, en onlangs in 2013 overleden – red.), daar heb ik mijn eerste viool gebouwd. Daarna, midden jaren tachtig, ben ik naar de school in Newark-on-Trent gegaan in Engeland. Het was heel moeilijk om op die school toegelaten te worden, maar mede dankzij mijn opgedane ervaring en meegenomen viool als proefstuk is dat gelukt.

DVS: Leerde je toen alle strijkinstrumenten bouwen?

Nee, je begint met de viool. Een viool bouwen is niet technisch moeilijker of makkelijker dan altviool of cello, maar het is voor de school organisatorisch eenvoudiger als iedereen hetzelfde bouwt. Daarnaast is een viool bouwen in financiëel opzicht minder riskant dan de grotere instrumenten, want als er iets misgaat ben je niet zoveel kostbaar hout kwijt.

Onze school zat in een oud bankgebouw, de opleiding duurde 3 jaar, in elk jaar zaten 12 leerlingen. De atelierruimtes waren te klein voor het met z’n allen bouwen van grote instrumenten zoals cello en contrabas. In het 3e jaar mocht je kiezen om een cello te bouwen, maar niet voor je eindexamen. Dat moest altijd een Stradivarius-model zijn. Ik heb tot de dag van vandaag nog nooit een cello gebouwd.

DVS: Hoe ben je dan uiteindelijk op het spoor van altvioolbouw terechtgekomen?

In het 2e jaar van school heb ik mijn eerste altviool gebouwd. Dat is de altviool waar Karin (Dolman, red) nu nog op speelt. Die heb ik meegenomen naar Nederland terwijl de lak nog niet eens klaar was. Ik vond de altviool niet goed klinken, dus heb ik hem op de plank gezet als een mislukt project.

Karin was toen aanvoerder van het NJO (Nederlands Jeugdorkest, red.), en speelde op een kleine en vrij dure altviool. We hadden toen nog niets, ze woonde hier gewoon in dezelfde straat. Zij vond mijn eerste altviool wel mooi. En bovendien vond de leiding van het NJO dat een grotere altviool beter bij haar status als aanvoerder paste! Zo heb ik Karin leren kennen, en sindsdien ben ik mij steeds meer in Karin en altviolen gaan interesseren.

DVS: Zijn je altvioolklanten anders dan bijvoorbeeld violisten?

Altviolisten zijn veel makkelijker in de omgang. Niet dat ze minder eisen stellen, maar ze blijken vaak intelligenter dan mede-musici door hebben, en hebben oog voor het het grotere geheel, waardoor ze meestal minder navelstaren. Ze zijn teamspelers, die gewend zijn om een middenstem met verbindende functie te spelen. Dat ondersteunt een bepaald karakter, een bepaald overzicht. Er worden festivals voor cello en altviool georganiseerd, maar niet voor violisten. Dat heeft waarschijnlijk met de typische rol van dit instrument te maken.

DVS: Zijn jouw altviolen gebaseerd op een bepaald idee, een bepaald model waar je naartoe bent gegroeid?

Ik vind het nederlands niet altijd zo’n mooie taal, maar het woord “altviool” vind ik wel heel duidelijk. Het gaat om een alt-viool, niet om een tenor-cello. Dus mijn streven is niet om een altviool a la Max Möller te maken, die heel diep klinkt. In het orkest is het wel goed om een paar heel diep klinkende altviolen te hebben, maar in een strijkkwartet zit je daarmee al gauw de cello in de weg. Dus mijn idee is om uit te gaan van het woord: altviool.

Het model van mijn eerste altviool (die Karin nu bespeelt) is van de Guarneri-familie. Dat is een standaard model voor een moderne altviool, die èn behoorlijk diep klinkt èn ook solistisch goed uit de verf komt. Maar ik ga daarbij uit van het vioolmodel van Bartolomeo Guarneri Del Gesù (de kleinzoon van Andrea Guarneri), die zelf geen altviolen bouwde. Van daaruit heb ik mijn eigen altviool ontwikkeld. Het standaardmodel is 41.7cm, uitgaande van een 37.5cm mensuur. Een paar maanden geleden heb ik voor het eerst een kleiner model getekend, 40.5cm.

Tussendoor heb ik ook een Maggini-model gemaakt, met hele korte mensuur en hele kleine C-tjes; maar ik heb daarbij ondervonden dat dit niet “mijn ding” is, dus daar ben ik weer vanaf gestapt. In feite heb ik dus door de jaren heen 4 altvioolmodellen gemaakt.

DVS: Heb je nog ontwikkelingen in gedachte voor de toekomst?

Nou, dit is al een hele stap hoor, om een ietsje kleinere altviool te maken. De altvioolmarkt is eigenlijk heel klein. Maar wie weet …!

Ik bouw ook graag violen, maar violen kunnen soms echt afschuwelijk mislukken, zodat ze helemaal niet klinken. Alles zit zo dicht bij elkaar, dan kan een kleine onnauwkeurigheid grote gevolgen hebben. Bij altviolen is die risico kleiner.

Het leuke met altviolen is bovendien dat de afmetingen veel minder vastliggen dan bij violen. En ook de meningen over hoe een altviool hoort te klinken hebben een grotere spreiding. Persoonlijk houd ik van een helder instrument.

Een praktijkvoorbeeld: Ik had laatst iemand die altviolen kwam uitzoeken van een bepaald type. Ik had er zes of zeven staan. Daarvan bleven uiteindelijk twee over: Een heel donker klinkend instrument dat in een kleine ruimte veruit het mooiste klonk; en een wat minder klinkend instrument, maar met meer helderheid. Toen heeft Karin deze instrumenten vanuit mijn werkplaats bespeeld terwijl de klant met mij in de winkel bleef staan. De meer heldere altviool won het in deze situatie glansrijk van de andere, en hij klonk ook dieper. Bij zulke instrumenten bestaan de lage tonen bij de gratie van de hoge tonen, dat vind ik fascinerend, en dat is mijn ideale klankbeeld voor de altviool. Als je geen hoge tonen hebt in het lage, dan blijft er niets over. En daarom heet het dus ook een alt-viool.

DVS: Wat wil je nog meer graag kwijt aan de altviolisten van deze wereld?

Een van mijn stokpaardjes is bijvoorbeeld het staartstuk! Een staartstuk moet altijd ingebouwde fijnstemmers hebben, omdat veel altviolisten op stalen snaren spelen, die je eigenlijk niet goed met een stemschroef kunt stemmen. Het is onbegrijpelijk dat niet alle staartstukken zo gemaakt worden. Voor de snaren zelf wordt nog veel aan innovatie gedaan, qua materialen en productie. Maar de staartstukken zijn daarin vaak niet meegekomen. De plastic staartstukken van tegenwoordig zijn niet altijd zo sterk, en zijn lelijk bovendien. De oude houten staartstukken hadden vaak een onhandig push-systeem van snarenbevestiging, hopeloos! Maar dit jaar komt er vanuit Duitsland een nieuwe soort staartstukken met een hele goede fijnstemmer mechanisme. Daar zit ik echt op te wachten!

20150808_121

Jan van der Elst bij het KamermuziekAtelier Delft, 2015

DVS: Wat vind je van schuine staartstukken?

Mijn kritiek daarop is dat het vaak bijna onmogelijk is om die staartstukken achter de kam perfect (af)gestemd te krijgen. En zolang dat niet lukt, komt dat staartstuk niet tot zijn recht. Het is geen nieuw idee, en het is een vrij duur verhaal. Misschien geeft het de speler meer zelfvertrouwen, een “onoverwinnelijk” gevoel, maar ik constateer dat een heleboel spelers daar toch weer vanaf stappen.

Ik heb veel aandacht voor de afstand tussen kam en staartstuk, en voor de kwaliteit van de lus van het staartstuk. Of die lus van kevlar of van plastic is, dat maakt een behoorlijk verschil.

Maar belangrijker dan zulke innovaties vind ik, dat mensen goed met hun instrumenten om kunnen gaan. En daar gaat mijn lezing straks over!

Jan van der Elst geeft zijn lezing tijdens de 3e Nationaal Altvioolbijeenkomst in Splendor Amsterdam, 18 februari 2017 om 16:30u. Volledige programma-informatie hier.

Links:

Jan van der Elst, website

Newark School of Violin Building (artikel in Amati magazine)

Amsterdam Altvioolfestival 2017


English Version:

The importance of the middle voice as an integrating force in music is commonly recognised. It is a crucial but yet often introverted voice. The impact of the viola is often noticed most when, for whatever reason, its voice temporarily falls silent. The ensemble suddenly sounds weak and incoherent. Everyone present, except perhaps for a first violin, will long for the return of the friendly bronze sound.

The technical demands on the viola have increased significantly over time. The sonorous middle voice must nowadays also be able to make a big sound in order to draw attention. As a result, violas are currently made in a multitude of sizes and innovative shapes, leading to a great variety of timbres.

The Dordrecht-based luthier Jan van der Elst has taken a particular interest in the viola and violists, having developed and built violas for more than 20 years. During the Amsterdam Viola Festival, he will give a presentation on instrument maintenance, with practical advice to improve the everyday life of viola players. No needlessly theoretical explanations, just best practices to care for your favourite instrument, the viola.

DVS: How did you start with violin making?

The usual path is to seek an education at a violin making school, and then to find an apprenticeship in a master’s workshop. But I actually did it exactly the other way around. I started as an apprentice with luthier Robert Walters in Rotterdam (known to many as “Rob viool”, passed away in 2013 – red.). I built my first violin there. After that, in the mid-1980s, I went to the school in Newark-on-Trent, in England. It was very difficult to get admitted to this school, but thanks to my experience and the violin that I could show as proof of my skills, I made it in.

DVS: Did you then learn how to build all string instruments?

No, you start with the violin. Building a violin is not necessarily harder or easier than a viola or a cello, but it is simpler for the course organisation at school when everyone builds roughly the same. Furthermore, building a violin incurs less financial risk than the larger instruments, as you will lose less expensive wood, should the project fail.

Our school building had formerly been a bank. The school had 3 years, each with 12 students. The workshop spaces were simply too small to allow everyone to build a cello or a double bass. In the third year you could choose to build a cello, but for your final exam you had to build a violin, a Stradivarius model. To this day I have never built a cello.

DVS: So how did you end up building violas?

I built my first viola during my second year at school. That is the instrument which Karin (Dolman, red.) is still playing. Ik took it back to the Netherlands while the varnish wasn’t even finished. I didn’t like the sound it made, so I shelved it as a failed project.

At that time, Karin was principal violist of the NJO (the Dutch Youth Orchestra), and she had a quite small but expensive viola. We didn’t have a relationship at that time, she just lived here down the street. She did like my first viola, and she was encouraged by the proposition that a larger viola would better suit her status as principal violist! So this is how I got to know Karin, and since then I have taken an ever increasing interest in both Karin and violas.

DVS: Are your viola customers different from violinists, for example?

Violists are much more easy-going. It’s not that they are less demanding, but they often turn out to be more intelligent than their colleagues suspect. They can see the big picture, so they are less self-obsessed. They are team players, accustomed to the connecting role as a middle voice. This requires and supports a certain character, a certain outlook.  You see viola societies, viola festivals etc. – but no equivalents for violinists. This is probably due to the specific role of the viola.

DVS: Are your violas based on a particular idea or a model that you have developed?

Dutch can be a clumsy language at times, but I really like the clarity of the word “altviool”. It truly captures its nature as an “alto violin”, rather than a “tenor cello”. So my goal is not to make a Max Möller-like viola, which sounds very deep. Sure, in a symphony orchestra it is good to have a few very deep violas. But in a string quartet, you could easily end up getting in the way of the cello with such a sound. So my principle idea is to use the name “alto violin” as a starting point.

My first viola (the one that Karin now plays) is a Guarneri model, a quite standard model for a modern viola, which has a decent depth of voice, but can also hold its own as a soloist instrument. I have chosen a specific design of Bartolomeo Guarneri Del Gesù (the grandson of Andrea Guarneri), who did not build violas himself. From this I have developed my own viola. The standard size is 41.7cm, based on a 37.5cm mensur. A couple of months ago, I designed my first smaller model: 40.5cm.

I also tried a relatively small-dimensioned Maggini model, however I found that this was just not “my thing”, so I didn’t pursue that path further. So all in all I have made four different viola models, over the years.

DVS: Do you have any other developments in mind for the future?

Well, it’s really already quite a big step for me to make a smaller viola. The viola market is really quite small. But who knows… !

I like to build violins too, but they can fail miserably, with no sound at all. Everything is so close together, so a small inaccuracy can have big consequences. With violas, that risk is smaller.

The fun thing about the viola is that its size and shape is much less fixed than the violin. And also the opinions about how a viola should sound vary a lot. Personally I prefer a clear and bright sound.

A real-life example: A while ago, someone came to my shop to try out certain types of viola. I had six or seven of them lined up. In the end, two of them were left over as final candidates. One very dark instrument, which sounded by far most pleasant in the confined acoustics of my shop; and a less sonorous instrument with more brightness in the timbre. Then Karin took both instruments to my workshop down the hall and played from there: In this situation, the sound from the brighter viola reaching the shop room won hands-down, and even sounded deeper. On such instruments, the lower tones are amplified thanks to the higher tones. I find that fascinating, and I have made this my ideal viola sound. If you don’t have that component of brightness in your sound, then you may lose everything. So that’s why it is called a “tenor violin”.

DVS: What else would you like to share with the viola community?

One of my pet issues is the tailpiece! A tailpiece should always have built-in fine tuners. Many violists use steel strings, which are really difficult to tune with the big pegs. I really don’t understand why not all tailpieces are made this way. There’s a lot of innovation going into string technology, but tailpieces seem to have been lagging behind the developments. The plastic tailpieces they make nowadays aren’t always so strong, and they’re often quite ugly as well. The old wooden tailpieces usually had a hopelessly impractical “push” system for the string fastening. But this year, we expect a new model tailpiece with a greatly improved fine tuning mechanism. I can’t wait to get those!

DVS: What is your opinion of tapered tailpieces?

My beef with tapered tailpieces is that they are often impossible to get perfectly tuned behind the bridge, therefore they rarely ever achieve the promised potential. It is not a new idea, and it’s quite an expensive change to make. Maybe it gives the player more confidence, a feeling of “invincibility”, but my observation is that a lot of players are abandoning this tailpiece design.

I do pay a lot of attention to optimising the distance between the bridge and the tailpiece, and to the material quality of the tail gut. It makes a great difference whether this is made of e.g. kevlar or plastic.

But even more important than such innovations is the care and maintenance for your instrument. And that will be the topic of my lecture!

Jan van der Elst gives his lecture during the 3e National Viola Assembly in Splendor Amsterdam, on February 18th 2017, at 16:30h. Complete programme information here.

Links:

Jan van der Elst, website

Newark School of Violin Building (article, Amati magazine)

Amsterdam Viola Festival 2017

 


Interview Geneviève Strosser

Geneviève Strosser studied with Claude Ducrocq in Strasbourg, Serge Collot and Jean Sulem in Paris, and had lessons with Yuri Bashmet, Franco Donatoni and György Kurtág. She gave solo performances with e.g.  Gewandhausorchester Leipzig and the BBC National Orchestra of Wales. She can be regularly heard at the Festwochen in Salzburg and Berlin, Ars Musica and Wien Modern.

Strosser has a strong affinity with contemporary music. She was a member of the Ensemble Intercontemporain, Klangforum Wien and Contrechamps. Composers such as Stefano Gervasoni and Hugues Dufourt dedicated solo concerti to her. In 2011 she released a CD with solo works by Holliger, Ligeti, Donatoni, Lachenmann and Scelsi. She furthermore teaches string quartets at the Trinity College of Music in London and viola at the Musikhochschule Basel.

This week, Strosser comes to The Genevieve_Strosser_DSC09425Netherlands to world-premiere a viola concerto by Hanna Kulenty with the Residentie Orkest.

by Kristofer G. Skaug, DVS

DVS: Tell us about the Hanna Kulenty concerto, what is its origin, how do you experience it? How did you get involved, and what is your working relationship with the composer?

The person I’m happy to thank for this project is Neil Wallace, head of De Doelen, Rotterdam. Thanks to him, I got to know Hanna Kulenty. He commissioned a piece for viola and ensemble which ASKO and I performed 3 times, 2 years ago. Neil Wallace was so enthusiastic about this 1st version – and so was I – that he asked Mrs Kulenty to do a version for viola and orchestra.

I have to say that the Hanna Kulenty concerto has a very specific aspect, which does not exists in a lot of modern pieces, which is to come back to the real “playful” feeling, exactly like the little child, in the best way. It’s something so important for the interpreter. I communicate with Hanna Kulenty via mails, she’s very inspiring in her answers!

DVS: You seem to be surrounded by a cloud of composers who like to write for you. Is there any particular contribution from your side in the creative process of these composers?

I’m not exactly the type of instrumentalist who goes to composers and show them all kind of possibilities our instrument offers (but I’m thankful to the people who do!!). I think it’s a very personal aspect of each interpreter. The composers who wrote for me had either heard me playing, or coincidence made us meet! I’m very lucky to have a long working relationship with great composers like Heinz Holliger, Helmut Lachenmann, Georges Aperghis, George Benjamin, Stefano Gervasoni….

DVS: Does the viola have particular intrinsic strengths as a catalyst for innovation in music? If so, what would these advantages be, compared to for example the violin or cello?

Probably the strength you mention is that in the past centuries, the repertoire of solo violin or cello has developed much more, so it’s very likely that the composers feel the viola being a “free land” where they can explore, like a “tabula rasa”. And great composers of the 20th century like Luciano Berio, Bernd Aloïs Zimmermann, opened the way for the next generations.

DVS: You do seem to have a strong affinity towards contemporary music. Do you experience a fundamental difference between the “classical” viola repertoire (let’s say, anything written before roughly 1950) and the contemporary pieces – if nothing else, in terms of “work satisfaction” as a performing artist?

Maybe one fundamental difference is that with modern repertoire, there is not the weight of tradition. Probably we should learn from each, build tradition in the 20th century, and free ourselves from the tradition in the past centuries….

It’s the same for the public who is without any reference in modern music.

DVS: Which statement is more true, in your experience:
a) The viola and violin have more similarities than differences, and students should practice both instruments as much as possible, learning the best of both worlds.
b) The viola and violin are related yet significantly different worlds, and a student hoping to master either one should focus on one instrument (at a time).

I would answer the 2nd one

DVS: Tell us about your own process of learning to master the viola, from your very first lessons until the last lesson. Who do you recall as most influential?

I started with the violin when I was 8, and after a few years, I suppose it has as well something to do with early teenager, I was not anymore so much attracted to the instrument. I was playing the piano as well. I decided I should maybe change violin teacher, and someone advised me to see the viola teacher in my home-town (Strasbourg). This person, Claude Ducrocq, from the very first lesson, gave me the desire to play the viola and not to do anything else….. I often think that if he had been a bassoon teacher, maybe I’d now be a bassoonist!

I entered the Conservatoire National Supérieur de Paris, in Serge Collot’s class, great teacher, then Jean Sulem. After the Conservatoire, I had a lot of advice from…. violinists as well!

The process of learning never stops, to my point of view, and each concert is part of it.

DVS: Through the internet, Viola students today have some opportunities that previous generations could only dream of. For example freely available recordings of great violists on YouTube, and vast stores of downloadable sheet music. Could this trigger changes in professional music education (e.g. repertoire training), and should teachers more aggressively explore the associated potential opportunities?

Internet is fantastic, and all the documents we can find is truly unbelievable! Not only for the students. I think that there is still a lot to explore in the opportunities that existed before internet. I don’t today see something that revolutions the way of teaching, as a teacher. But sure, for the students, it’s very different.

DVS: On the other hand, might there also be risks connected to the aforementioned opportunities?

The risk of course, is to believe in everything on internet, and to stop thinking individually, to stop searching alone, in your room, with your instrument.

DVS: Are there specific projects or events in the near future that you are looking particularly forward to? 

In the very near future, I’ll be playing Janacek string quartet, for the opening of the exhibition of Josef Sudek photographs, in the Musee du jeu de Paume in Paris. Josef Sudek loved music, often went to see Janacek, and organized himself a lot of concerts.

Our performance will take place in the rooms with the photos, probably very moving for us and the public.

Come to Strosser’s performances of the Kulenty Concerto in Rotterdam (13/5) and/or The Hague (14/5). Additionally, on Wednesday 11/5 she gives a solo recital and masterclass in The Hague, co-sponsored by the DVS and Codarts Rotterdam.


Interview Jutta Puchhammer

The Viennese-born Jutta Puchhammer-Sédillot is described as a violist of  exceptional quality. She is professor of viola and chamber music at the University of Montréal (Canada), and holding part time tenures at a number of other institutions.

She is renown for her performances of rare post-romantic viola repertoire, and has released acclaimed solo CDs with works in this genre. Jutta has a vast experience in chamber music, having been part of the Quatuor Claudel String quartet, The Kegelstatt Clarinet/vla/pno Trio, The Montreal String Trio, and several other ensembles. At various festivals she has performed with artists of international reputation. Jutta is the principal viola of the Canadian Laval Symphony orchestra, and the Vice president of the International Viola Society. She has been awarded the Maurice Riley prize for international achievement. This weekend (16-18 October) Jutta is in The Netherlands, invited by the Dutch Viola Society. On Friday she gives a masterclass for conservatory students in Rotterdam, while her workshop and recital in Dordrecht on Sunday are aimed at a general public.

by Kristofer G. Skaug, DVS_N6A4690-Modifier

DVS: At what point in your life did you decide to become a violist, and did your family (background) support you in this respect?

I started out on the violin, but at age 15 my violin teacher at the music school in Vienna proposed that I play the viola in my youth orchestra. So I did, and I really liked it, I liked the character of my fellow violists, there was no competition, and more enjoyment of playing together. I continued this way for 2-3 years, until I met a viola teacher from the University of Vienna, Siegfried Führlinger. He knew my parents, and after we played some duets together, he asked me to study with him at the university.

DVS: Did you continue studying the violin also?

Only for one year. The last violin piece I studied was the Mendelssohn concerto, and I realised I couldn’t stand the squeaky high sounds anymore. So that’s when I stopped.

DVS: What or who moved you to travel out, away from Vienna?

In European schools you learn a lot of languages, and we were encouraged to have pen-pals in other countries. My pen-pal was a French-Canadian, with whom a romance began. When I was 25, after having completed my studies in Vienna, I decided that it would be easier for me to move to Canada than for him to come to Austria. So I came to Montreal, which was a challenge, because I had not studied here, and had no connections. Montreal is unusual in that it has two communities divided by language, and also the musical job market is divided, and each circle is difficult to get access to. I was fortunate to get some help in this respect from the conductor Agnes Grossmann, whom I knew from Vienna.

DVS: How is musical life there, compared to Europe?

Well, there are differences in taste, which become apparent after some time. I decided to study for a Master’s degree with Heidi Castleman (at Juilliard), in order to have a recognised paper here. And then I came to appreciate some differences in taste and approach to viola technique.

DVS: Can you elaborate on this distinct taste?

It is for a large part the school of technique, which I learnt from Heidi Castleman. It’s clean and crisp playing. The sound is very clear, designed to carry well. I notice also stylistic accents in chamber music, a tendency to make statement entrances rather than merging in softly. The priority is technique first, then music making.

DVS: Are there specific traits of the Montreal music scene, that you would like to mention?

I tend to think of Montreal as somewhat “up North”, far away from the centre of events. We do get frequent visits from international artists fortunately, and in some respects the classical music scene is doing quite well, for example there is are many good contemporary composers. But chamber music is in decline. And a couple of years ago we lost our only serious classical music radio station. This is very sad.

And then there are the schools – they used to offer instrumental music lessons. Thanks to public spending cuts, this has now been reduced to group lessons, in the best case. So a decline in musical education.

The OSM (Montreal Symphony Orchestra) still gets money. But just about everything else is being cut. And musicians have to work longer hours for less pay. The students even play for free, hoping to gain a toe-hold somewhere. But this goes at the expense of established musicians. Not a good situation!

Meanwhile, students stay in school and obtain doctorates, but that doesn’t help them getting an orchestra job. The orchestras audition internationally, and even then they often don’t hire.

DVS: What is the make of your viola, and how did you come to choose this one?

I have a viola by Geoffrey Ovington (Vermont, USA) – in fact I have had two of them. The first one I bought after a summer music camp in 1982, where I came across one of his instruments. I decided to just order a new viola from this maker. The second one, a 43cm Mantegazza model, he actually gave me as a wedding gift in 1989, after I had helped him access the European market. It’s actually made from Austrian wood. I actually never tried anything else. I prefer modern violas, they often respond better to changing conditions (traveling). I say, rather 10 new violas than one old instrument.

I also prefer to use a light bow, it’s easier to put on weight (by ‘leaning in’) than to take it away. And it allows you to add more tone colours, because you are less likely to ‘strangle’ the sound. In some situations a heavier bow can be easier to use, particularly in orchestra playing. But I like to work hard with my instrument, to feel it respond to what I want.

DVS: Do you have any main creeds in your viola teaching?

My teaching revolves around _N6A4447-Modifierdeveloping the artistic personality of every student, to hear his inner voice and producing the confidence to make that sound happen. I always hope to expose what makes each student special.

Another important theme is movement: To avoid forcing yourself, but letting your body work in the most natural way. Everything should be easy. So I visualise movements that are somewhat similar to the actual movement you need for the viola, and we practice that, without the actual instrument: Getting away from the instrument in order to come back to it. My workshops in The Netherlands will also be focussing on this.

DVS: You are also active in the Canadian Viola Society, what are the main activities and future goals of the CVS?

The CVS tries to hold a national event every 2 years, but geography is a real challenge in Canada. Core CVS members travel around a bit to encourage activities in various parts of the country. The distances are hard to cover, it’s a 6-hour drive from here to Toronto, and that’s only the beginning. Differing holiday periods and even time zone difference get in the way sometimes. We hosted the International Congress in 2006…

But nowadays I am mostly involved as board member of the International Viola Society (IVS). And as such, I think that participation by national delegations at the International congresses is a very important activity. Unfortunately the financing of International congresses is also becoming more difficult, so regular Society members often cannot afford to go, even if they would like to.

DVS: Jennifer Stumm recently gave us this quote: “I dream of the day when we don’t need Viola Societies”. Do you sympathize?

No, not at all. The Viola Societies encourage international exchange and learning among violists. The CVS and IVS have given me many valuable experiences, to learn about how the viola is used in different parts of the world. For example hearing the viola played together with African instruments, or in Iceland with stone drums. I’m a big believer!

DVS: What about your personal future goals?

I “rediscovered” a collection of French pièces de concours, very virtuosic repertoire written for the (yearly) final examination of all viola students at the conservatory in Paris. The first piece is from 1896, and from there we follow the series up to 1940. Some of the pieces became quite popular in their own time, but both the pieces and their composers are mostly forgotten now. One exception is Enescu’s Konzertstück, which was also a part of this series. After World War II, the tradition changed, and they started using more standard repertoire pieces for the examinations instead of writing new stuff.

We are in the finishing phases of editing a Schott edition of this music, in three volumes (13 pieces), to be released next year. The edition is complete with fingerings, allowing students to catch on quickly. It is difficult enough as it is, this music is very challenging. I also hope to be able to record some of these pieces, and I intend to present this work at the IVC in Cremona next fall. Some of these pieces will also be on the recital programme in Dordrecht this Sunday!


Interview Jennifer Stumm & Nils Mönkemeyer

It’s that time of year again, when the Delft Chamber Music Festival (DCMF) descends upon us as a small musical paradise. And where there’s chamber music, viola players are sure to be part of the action. In this 2015 edition, artistic leader Liza Ferschtman has invited two very special violists, Jennifer Stumm and Nils Mönkemeyer. The DVS reporter was fortunate to meet up with both of them for a chat about chamber music, viola, and viola advocacy.

by Kristofer G. Skaug

Nils

Nils Mönkemeyer  (photo by Ronald Knapp for DCMF).

DVS: Nils Mönkemeyer, welcome in Delft – your first time, I believe?

Mönkemeyer: I was very excited to come here, because I met Liza (Ferschtman, ed.) at the Lockenhaus festival (Austria); I liked her instantly, I think she’s a phenomenal musician. Besides, many of my friends came here regularly in the past.

DVS: And Jennifer Stumm, you are a regular at this festival. What keeps you coming back?

Stumm: Liza and I are really old friends, we’ve known each other for 17 years. Apart from the really charming and beautiful old city, this festival has a reputation of having a certain kind of very intelligent and sensitive musicians; so the concerts here are such a pleasure to play. We really work, it’s a process, and I walk away from a concert thinking something quite special happened. It’s really an extraordinary festival!

Mönkemeyer: Judging from the short time that I’ve been here, it really feels like everyone could play with everyone, and it would work. That’s very special.

DVS: You still have relatively limited rehearsal time, does that bring out extra tension in the performance, as if there’s something that still needs to be negotiated on stage?

Jennifer

Jennifer Stumm (photo by Ronald Knapp for DCMF)

Stumm: Well, that’s true of any festival. But Delft actually has more rehearsal time than most places. We really do work hard to prepare, which I think brings the most satisfying results.

DVS: Are there any pieces that you are particularly looking forward to perform here?

Mönkemeyer: Well yes, the Brahms (string) quintet on Monday (August 3rd), because that’s the only piece, apart from the Duo recital earlier that same day, where I get to play together with Jennifer.

Stumm: Yes, Monday is really “Viola day”.

Mönkemeyer: Definitely, Monday is going to be really cool. I have to say that I never played a duo concert (with 2 violas) before. I don’t know why. Even in my student days.

DVS: There was a viola quartet here at DCMF, some time back; the Bowen Fantasia, with Isabelle van Keulen and her friends.

Mönkemeyer: Well she is one of the few violinists who can really play the viola.

DVS: Some viola players personify their instrument by e.g. giving it a name. How do you think about your instruments, do you see it as a utility, a household pet or a soulmate?

Stumm: Naming my instrument? No.

Mönkemeyer: Or as in, is the viola male or female?

Stumm: The instrument has such a character of its own, it doesn’t need to be assigned a label. Violas are a character actor in the music, and I want my instrument to be able to do anything, so I wouldn’t want to say “it’s a man, and his name is Herbert!”, because then I would have a hard time asking it to play the part of a really sexy woman, for example.

DVS: In the interest of acoustics and ergonomics, luthiers have experimented with innovative viola designs, leading to some pretty strange shapes. Have you tried one of these instruments?

Stumm: Occasionally I’ve had the opportunity to try such instruments, although not in all seriousness. I don’t really look at the viola as if it’s lacking something. Of course every instrument has its pluses and minuses, but I don’t feel that the viola has anything to be ashamed of. In fact to me this is what gives the viola its character, what I love about it: The fact that it is so changeable, and that it could be either male or female, because the instrument itself is not acoustically perfect.

Also because violas are physically so diverse means that with your personal physical characteristics you have to find the instrument that’s right for you.

Mönkemeyer: I think that is very particular for viola players. The size, the set-up of the instrument can be so different. An instrument that my student is playing sounds good, until I try, and then it sounds terrible. My own viola is reasonably big, but it’s quite difficult to make it sound well. I have to work hard for the right sound, but I like that. Others prefer their instrument to sound smooth and soft right away. Violas can be so different!

DVS: What are your favourite “unknown viola pieces”,   deserving of more public recognition?

Mönkemeyer: I have recently recorded a CD with Spanish baroque repertoire, for example a viola sonata by Gaetano Brunetti, he was a Spanish viola and violin player from the Boccherini era. There were 12 sonatas which were written as mandatory audition pieces for the orchestra. I hadn’t thought that I would take to this music, but it’s gorgeous.

Stumm: I’d like to mention the music of Alessandro Rolla, which I recorded. For example some of his sonatas, and the duet for viola with violin accompaniment :-). There’s so much undiscovered early repertoire, but people just don’t dig very hard.

DVS: But then again, violists are probably the only musicians who think of Hindemith as ‘mainstream’…

DVS: Have you had any exposure to the Viola Societies in your home countries?

Stumm: Sure, the American Viola Society is very big, and also sponsors the Primrose competition, which I won; so I actually owe them a lot. They’re really dedicated people, working hard to give young violists opportunities, they have a big national convention where I played a few times. And also in the UK where I live now, there’s a thriving Viola Society.

Mönkemeyer: Well, the German Viola Society is not as big as the American one, but for me it was very important. I grew up in the countryside, and I didn’t know any other viola players at all. So I always looked forward to the monthly newsletter from the Viola Society, which arrived by ‘snail mail’, and I could read about concerts with Yuri Bashmet, Kim Kashkashian and so on; It also provided a way to order viola sheet music which was difficult to get by. So for me it was the only link I had to other viola players, when I was younger. Only after I joined the German Youth Orchestra did I realize how many other violists there were around!

DVS: Do you see any missed opportunities that Viola Societies have failed to pick up on, where more priority should be given, in order to have a bigger impact?

Stumm: I’m going to say something very controversial now: I dream of the day when we don’t need Viola Societies! They are important now, for the advocacy of the instrument. But in the future – well, we’re on our way. I mean, how many violin societies do you know? And why is that? Well, maybe they’d only be having fights… 🙂

Mönkemeyer: But maybe the “nerd factor” of such a club is also holding violinists back. Violists are less worried about that, they’re more like Star Trek fans…

Stumm: But really I do hope so much that the viola will keep climbing until it’s no longer a niche instrument; and that major composers are writing repertoire for us, which is to me a key indicator of where the profession is going. There is a growing number of violists who never played the violin.

Mönkemeyer: That’s a very important thing; many music schools don’t offer a good viola teacher. If you want to start playing the viola you pretty much have got to go to a violin teacher initially, who may not know exactly how to approach viola training. That’s one area where the Viola Societies can make a big difference, by providing teaching materials, courses for would-be viola instructors, and so on. This could be key to get more young viola players. Again this is my countryside upbringing speaking.

Stumm: Anyway, advocacy seems to be a natural part of a viola player’s life.

Jennifer+Nils

(photo credit: Ronald Knapp for DCMF)

DVS: What are your most exciting plans for the coming year?

Stumm: A few years back I did a (TEDx) talk about the viola, concerning its physics and the way it is in a way acoustically imperfect, and how that creates the character of the instrument. So I’ve developed a concert program around that, which I’ll be on tour with toward the end of next season, starting in May in Berlin.

Mönkemeyer: So what are you going to play there?

Stumm: It’s a mix of viola solo works and chamber music; as the basis I have two viola quintets, the Mozart g minor and the Brahms G major. And then I’ll be playing some of the Ligety sonata, the Brahms songs, and then George Benjamin’s “Viola, Viola”.

DVS: Are you coming anywhere near here (Netherlands)?

Stumm: No, not next season. But maybe the season after.

Mönkemeyer: This summer I have my own 3-day viola festival within the Festspiele Mecklenburg-Vorpommern, with four concerts every day! Chamber music, concertos, and more. My students are performing there as well. And in The Netherlands, I go on tour with Liza (Ferschtman) next season, we play in Amsterdam (Concertgebouw), Eindhoven and many other places.

DVS: Thank-you so much for your time, looking forward to see (and hear) you in the concert hall!

——-

The Delft Chamber Music Festival has a packed programme, starting this weekend and lasting until August 9th. Among the highlights (for viola fans) worth noting:

  • Monday Aug 3rd: Stoelendansconcert Midden-Delfland, 13:00h
    with Viola duos by
    Stumm/Mönkemeyer
  • Monday Aug 3rd: Concert in Maasland, 18:00h
    with Brahms string quintet, op.111 (with 2 violas:
    Stumm/Mönkemeyer)
  • Wednesday Aug 5th : Jong Talent Dag, 15:00h
    with young violist
    Dana Zemtsov and pianist Mariam Batsashvili
  • Sunday Aug 9th: Behagen en/of Prikkelen, 14:15h
    featuring
    Marc Desmons (viola) in the Dvorak Piano quintet.
  • Sunday Aug 9th: Denken en Gevoelen, 20:15h (festival closing concert)
    with
    Marc Desmons in the rarely heard cello quintet by Gyorgy Catoire (!)

Interview Michael Kugel

When our Lord divided peoples with different languages, we got from Him one connective language – Music.

 

Kugel_tekening_KD_page_1

Autographed portrait of Michael Kugel, drawn by DVS President Karin Dolman

Michael Kugel grew up in Kharkov in the former Soviet Union (now Ukraine), receiving his first musical education there. He went on to study viola, composition and conducting at the Leningrad (now St. Petersburg) Conservatory. At the International Viola Competition in Budapest 1975, he won First Prize – ahead of Yuri Bashmet. He built a successful career as violist and teacher in the Soviet Union. Since 1996 he lives in Belgium, and currently teaches at the Maastricht conservatory. He is also a prolific composer and author of books. 

by Kristofer G. Skaug

DVS: What are your memories from that famous competition in Budapest in 1975? Which piece did you play, to win the final?

I played the Bach Ciaccone, and the Bartok Concerto. In the former Soviet Union, it was not possible to travel to these competitions privately. In order to enter this competition, it was an obligation to succeed in the All Soviet Union competition, and the special jury chose 3 musicians to go. It was more difficult that the International competition itself.

DVS: The viola repertoire seems to be full of forgotten composers and forgotten works. What are your favourite “unknown viola pieces”,  deserving of more public recognition?

I’d like to mention George Onslow’s original viola Sonata in c minor (1820). Beautiful music with a small problem: a very poor viola part and very rich piano part. I have created a new edition where the parts are equal.

DVS: What do you think of the emerging trend of viola ensembles, is it just a passing curiosity, or does it have a true value in itself?

Viola ensembles have a true value if the music and musicians are good. For example the Zemtsov viola quartet.

DVS: Did you ever have any plans to compose music for viola ensemble?

I have arranged my ‘Preghiera’ (originally for viola + piano, ed.) for the Zemtsov quartet.

DVS: On the other hand, you have successfully transcribed well-known violin repertoire such as Paganini’s “Carnavale di Venezia”, Beriot’s “Scène de ballet” and the Bizet-Waxman Carmen suite. Do we count this as viola repertoire, or are they still essentially violin pieces?

‘Il Carnevale di Venezia’ which you mentioned is not strictly a Paganini transcription. the full name of the piece is: ‘Il Carnevale di Venezia duo concertante da N.Paganini‘. I took 8 variations from Paganini’s music, added my own 16 variations and a virtuoso piano part (I have played piano and my piano Sonata have been published several years ago). Beriot’s piece is not actually my transcription, I just have made some changes and made the orchestration for strings and percussions.

From my virtuoso transcriptions: H.Ernst – ‘The last rose of summer‘ and ‘The forest king‘, Paganini – ‘La molinara‘ and ‘God save the Queen‘; Wieniawski – ‘Variations on an original theme‘, Tarrega – ‘Requerdos de la Algambra‘. This music is now obligatory in my viola class (not everything of course), like virtuoso music is obligatory in violin, cello and even double-bass education. The solo viola music was written for true soloists, not orchestra players.

DVS: You have a tremendous reputation as a virtuoso musician. Developing such a technique on the heavier viola seems like an act of defiance against the laws of physics. Where does all that “fast and furious” energy come from?

My book ‘Pedagogical Essays‘ was published last year (only in Russian), and in this book I have tried to describe my system, including playing virtuoso music without problems. In this system, physical limitations do not exist. If somebody comes to my class with hands or back pain – in two, maximum 3 months of proper guidance, the pain should disappear. Freedom and relaxation are the key values.

DVS: In your view, which statement is more true?
(a) The techniques of violin and viola are principally analogous, and any differences between them are complementary, so it is good for your development to play both.
(b) If you want to become a really excellent viola player, it is counterproductive to spend any significant amount of time playing the violin.

If somebody wants to combine violin and viola – no problem, but not during a study.

DVS: One of your colleagues (Lars Anders Tomter) said in an earlier interview: “The viola is more introverted (than a cello or violin), its base character embodies ambiguity and tenderness.” Supposing we accept a grain of empirical truth in this statement, what is the relationship between such intrinsic properties of the viola, and the psychology of the musician who plays the instrument?

I wrote a book ‘The history of an era‘, about the Sonata by Shostakovich and the Bartok Concerto, in which I noted that the so-called Swan Songs by two of the greatest composers of the 20th century have both been written not for violin, but for viola: That is significant. Viola is the only instrument very close to the human voice and for sure has a specific color and tenderness. But… if a musician has a talent, the type of instrument he plays is a secondary thing.

DVS: Who was your most important teacher, and which part(s) of his teaching do you pass on to your students today?

My most important teacher was no doubt Yury Kramarov. His signature statement was ‘Never play music without sense‘. I am teaching in this way: When our Lord divided peoples with different languages, we got from Him one connective language – Music. First you have to understand what you are playing, then add your passion; and now stop playing – just speak the music!

Music has its own alphabet, and this alphabet was known 300 years ago in the Baroque, but it is completely forgotten now.

DVS: Your Russian education and early career must have been very different from the environment where you live and work today. What do you miss most in Western European music education and professional life, compared to the former Soviet Union?

Both in the Soviet Union and here I have met fantastic musicians, and I do not have a feeling that I miss something. And my concert life both there and here was/is very rich. Educational life… I still regularly meet with my colleagues professors from the Moscow Tchaikovski Conservatory, and my western colleagues are also very good…

DVS: Being the land of Vieuxtemps and Ysaÿe, it seems no big surprise that you chose to settle in Belgium?

I did not actually choose Belgium particularly, nor The Netherlands. At the right time I just got an invitation, and that is the reason I am here. I have later received many propositions to come and teach elsewhere, but I love it here.

DVS: Which future prospects are you most looking forward to?

I will keep work as long as I can. Next concerts, next students, next classes, next CDs, next publication of my Divertimento for tuba and piano…

Michael Kugel will be lecturing about viola technique at the 2nd National Viola Congress in Ede-Wageningen, on June 27th.


“Mooi, maar ‘t kan beter…” (verslag Masterclass Tabea Zimmermann)

recensie/verslag door Adriaan van ‘t Wout

Op weg naar TivoliVredenburg te Utrecht, waar zaterdagochtend 21 maart 2015 de wereldwijd gevierde Tabea Zimmermann een Masterclass zou geven, stuitte ik op tieners die zich verdrongen voor de ingang. Een goed teken, dacht ik aanvankelijk, maar ze stonden in de rij om kaartjes te bemachtigen voor de populaire popgroep ‘Tokio Hotel’. De belangstelling voor de masterclass was aanzienlijk geringer; slechts een 30-tal altvioolvrienden en -vriendinnen had de moeite genomen om zich naar ‘Cloud Nine’ te begeven. Darija Kozlitina (Rotterdams Phil), Frank Brakkee (Radio Fil) en Roald van Os (DVS) hadden uit 16 aanmeldingen 4 jonge talenten geselecteerd die de confrontatie met de Master mochten aangaan.

20150321_MC_016Elisa Karen Tavenier oogste complimenten over deel 1 uit het Konzert in D, Opus 1 van Karl Stamitz. “Mooi, maar … (gevolgd door het onvermijdelijke) … ’t kan beter. Je speelt nog te veel met de linkerhand van een violiste. De altviool lijkt wel op een viool, maar moet toch anders bespeeld worden”. Tabea onderstreepte dit met een reeks rek- en strekoefeningen voor de linkerhand en het advies toonladders over 3 octaven te studeren met opschuivende posities en speciale aandacht voor de zwakste schakel: de pink. Tenslotte nog: “Kantel de alt, wees flexibel, maak verschil in houding bij het spelen op de C-snaar en de A-snaar.”

20150321_MC_033Hessel Moeselaars interpretatie van de Sonate Opus 147 van Sjostakovitsj riep bij Tabea vragen op: “Wat voel je bij het spelen van dit stuk?” Moeilijke vraag, die de kern aansneed van de sfeer achter de noten. Haar advies: “Maak grotere verschillen tussen pp en ff, zing een paar passages als je studeert en probeer jouw gevoel dan over te brengen op het publiek. Studeer langzaam en werk meer aan de expressiviteit”.

20150321_MC_065Vervolgens imponeerde Iteke Wijbenga haar toehoorders met het 1e deel uit het altvioolconcert, dat Béla Bartók onvoltooid had achtergelaten. “Als je dit werk gaat spelen, moet je eerst uitzoeken wat van Bartók is en wat Serly daaraan heeft toegevoegd. Er staan bv. onlogische tempo aanwijzingen in. Luister naar de muzikale taal van Bartók en maak dan jouw eigen concept”, sprak de Master eerst, gevolgd door: “Mooi, maar … Was je nerveus?”. Iteke knikte. “Dat hoort er bij, accepteer dat je nerveus bent en bestrijd het niet, want dan wordt het gevoel alleen maar erger”. Vanuit de streektechniek werd daarna intensief gewerkt aan meer klankvolume en de opbouw van de dynamiek naar hoogtepunten. “Vertel het verhaal en maak het spannend”.

20150321_MC_118Lisa Eggen sloot de rij overtuigend af met een deel uit de Sonate Opus 11 nr. 4 van Paul Hindemith. Maar desondanks besteedde Tabea veel aandacht aan de stoktechniek. “Gebruik je rechterhand bewust, niet alleen om meer toon, maar vooral om een ‘kernachtiger’ geluid te produceren. Maak een groter verschil in de dynamiek, varieer het tempo van het thema en stel je vingerzetting altijd in dienst van de uitdrukking”, waren kort gevat haar aanwijzingen.

Na afloop van de Masterclass probeerde ik Tabea Zimmermann te strikken voor een interview, maar wegens tijdgebrek kon dit zo niet plaatsvinden. “Stuur mij uw vragen per email en ik zal ze beantwoorden”, beloofde ze. Kort voor de paasdagen vielen ze in mijn mailbox.

Mijn vraag, of (in het algemeen gezien) expressiviteit in het spel van een student beïnvloed wordt door de leeftijd, kon en wou ze niet rechtstreeks beantwoorden.

”Ich möchte die vier jungen Menschen nach einem einmaligen Unterricht vor Publikum nicht beurteilen. Die Ausbildung ist langwierig und komplex und je nach Möglichkeiten zu gestalten. Ich kann weder Lehrer noch Studenten ‘einordnen‘, kann bei einer Masterclass nur eine Momentaufnahme mitnehmen und auch nur einen kurzen Einblick in meine Arbeit geben.“

Op de vraag, naar de reden waarom zij zoveel aandacht besteedde aan toonvorming, ging zij dieper in:

“Ich sehe die Tonproduktion als einen sehr komplexen Vorgang der aus sehr vielen einzelnen Faktoren zusammen wachsen muss. Mir geht es hauptsächlich um die Relation der Elemente. Das heißt, daß der Bogendruck im Verhältnis stehen sollte zum Gegendruck der linken Körperhälfte, des Daumens, des Arms, der Finger, der Saite etc. Der eine Student konzentriert sich zu sehr auf links, der andere zu sehr auf rechts. Man muss sehr viele verschiedene Techniken erlernen und ausprobieren, ehe man seinen eigenen ‘schönen‘ Ton gefunden hat. Und sobald man etwas gefunden hat, sollte man gleich noch einige Varianten dazu erlernen.“

Zouden instrumentalisten vaker lyrische passages eerst moeten zingen en dan pas spelen?

“Ja, unbedingt erst singen!! Die innere Vorstellungskraft wird trainiert und die Hände können dann den Ton viel besser entstehen lassen. Rhythmus, Melodie, Harmonie, Ausdruck etc. sind alles Teilbereiche, die bis ins Unendliche wachsen können. Da gibt es kein ‘fertig‘. Es kann so herrlich sein, gemeinsam mit der Musik zu wachsen und nach einigen Jahren den Blick auf ein Werk noch einmal komplett zu ändern.

Ich wünsche allen Lesern Geduld und Experimentierfreude.J “

Wie bovenstaande tips ter harte neemt, beseft wat er schuilt achter de woorden: „Mooi, maar …. ‘t kan beter”. En degene, die ook uitvoeringen kon bijwonen van Hindemiths ‘Der Schwanendreher’ in Utrecht en Amsterdam door Tabea Zimmermann met het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Markus Stenz, heeft ervaren wat op een altviool allemaal mogelijk is. Het waren drie leerzame dagen.

Adriaan van ’t Wout.


Interview Tabea Zimmermann

World renowned violist Tabea Zimmermann hardly needs an introduction. She has established herself firmly as an elite solo and chamber music artist. She is also one of the most sought-after viola pedagogues today. The DVS is immensely honoured to host her Masterclass this coming weekend in Utrecht, where she will work with four talented Dutch viola students. This same weekend, she will also perform Hindemith’s Der Schwanendreher twice with the Dutch Radio Philharmonic Orchestra. Amidst her busy teaching and performing schedule, she kindly found time to answer a few written questions for the DVS website.

by Kristofer G. Skaug

DVS: You started out on the viola at the unusually young age of 3. Was this a conscious choice of instrument, instead of the more usual violin or anything else?

My choice was to play music like my older siblings. Otherwise my parents would not have introduced me to the violin teacher of my sister. It was his suggestion to avoid both playing the same instruments and to make chamber music possible from the start. I joined my first string quartet at age 4 :-))

tabea-zimmermann_03_marco-borggreveDVS: Which teachers or role models inspired you most in your development as a musician?

My first teacher, the late Dietmar Mantel, influenced me most. But it took a long time until I realized that. My second teacher, Ulrich Koch in Freiburg, tried very hard to give me more stability (less flexibility) and to make me follow his rules of equal bow speed throughout a phrase, same speed vibrato etc.

When I studied with Sandor Vegh later, I understood that all the fantasy, flexibility etc were actually wonderful qualities!


DVS: Do you feel a belonging or affinity to a particular ‘school’ of viola playing (and teaching), and if so, which school would that be?

No particular school is big enough or wide enough for all styles. I like to look out for a maximum freedom in a very strict text. Technique according to musical context, not according to school.

DVS: Which traits or capabilities do you seek to nurture most in your students?

The capability to come to an individual judgement, based on knowledge, skills, taste, and abilities.

DVS: The viola is often described as a particularly ‘sensuous’ instrument.
This would imply that development of the senses and imagination play an important role. How do you go about consciously cultivating these capabilities?

It helps to imagine before playing. Singing, clapping or speaking the rhythm, imagining bow movement or left hand activity, there are many ways to ‘unsettle’ old habits.

DVS: Is there such a thing as a healthy balance between compulsive practice and complacency for a would-be musician?

I try to show ways to enjoy the practicing part. This is the most precious time we have to explore, develop, learn etc.

If it feels like a compulsion, you are on the wrong way…..

DVS: On this visit, you will be performing the Schwanendreher. Why do violists never seem to tire of Hindemith, where so many other musicians seem to hold a noncommittal opinion of him? Is Hindemith’s viola legacy somehow musically stronger than his other compositions?

I can only speak for myself. I find Hindemith a great composer and I would like to see more of his music on the big programs, but the truth is also that if I had concerti by Mozart, Beethoven, Brahms, Sibelius, Tchaikovsky, Glazunov, Berg, and Stravinsky to choose from, I would probably play a bit less of the Hindemith…

DVS: There seems to be a very strong “viola culture” in Germany, compared to other European countries. Would you agree, and if so, how would you explain this?

Unfortunately I cannot agree! I would love to see many more young German Violists…..

DVS: Which dreams are still on your ‘bucket list’, and (how) are you planning to pursue them?

I would love to know a lot more about music!!!

But apart from that, my secret probably was so far that I did not plan far ahead but took the opportunities as they came along and tried to make the best out of it.

Many wonderful crossings in my life just ‘happened’.

Stay open, do the best you can in any given situation and share your experience with others…

Information about the DVS Masterclass on March 21st can be found here. Information about the performances of the Schwanendreher can be found here (March 20th, Utrecht) and here (March 22nd, Amsterdam).


Interview Mikhail Zemtsov

door Kristofer G. Skaug

English translation below

De russische altviolist Mikhail Zemtsov is aan de oevers van de Volga geboren. Als jong talent werd hij aangenomen bij het Tsjaikovsky conservatorium in Moskou. De muziek bracht hem de hele wereld rond, via Mexico en Noorwegen uiteindelijk naar Nederland, waar hij in de leer ging bij Michael Kugel. Samen met zijn vrouw Julia Dinerstein heeft hij zich diep genesteld in de nederlandse altvioolwereld, en ook hun dochter Dana timmert al een tijdje aan de weg als professionele altvioliste. Mikhail heeft ruim 13 jaar als solo-altist bij het Residentie Orkest gewerkt, een loopbaan die hij dit weekend afsluit met twee uitvoeringen van het Altvioolconcert van Bartok in de Dr. Anton Philipszaal. De DVS sprak Mikhail bij deze mijlpaal in zijn carrière.

Mikhail_Zemtsov_2DVS: Ondanks je oer-russische achtergrond heb je het grootste deel van je carriere buiten Rusland gewoond en gewerkt. Hoe begon die reis?

Ik ontmoette mijn vrouw Julia bij het conservatorium in Moskou. Op een gegeven moment wilden haar ouders met twee jongere broers naar Mexico verhuizen, en Julia en ik kwamen mee om ze te helpen zich daar te vestigen. Daar bood zich opeens de kans op een baan bij het Nationaal Orkest van Mexico in Mexico City. Ik kon via-via snel een altviool lenen om auditie te doen, en kreeg gelukkig de baan. We hebben in Mexico echt fantastische jaren doorgebracht, daar zijn ook onze kinderen geboren. Maar op een gegeven moment kregen we het gevoel dat we nog veel meer wilden leren, en de kansen voor professionele groei in Mexico bleken te beperkt te zijn. We zochten de weg terug naar Europa.

De eerste kans kregen wij bij het Stavanger Symfonieorkest (Noorwegen). Cultureel gezien is dat ook een wel erg ‘rustige’ plek, maar dat was op zich niet slecht, want we konden zo meer aandacht besteden aan onze jonge kinderen, en zo was er tenminste ook genoeg tijd om goed te studeren!

DVS: Hoe kwam je bij Michael Kugel terecht, en wat heb je bij hem geleerd?

Ik ontmoette Kugel voor het eerst bij het L. Tertis Concours in Isle of Man, daar zat hij in de jury. Hij moedigde mij aan om meer aandacht te besteden aan mijn ontwikkeling. Enkele jaren later heb ik dat advies opgevolgd, en heb ik me ingeschreven bij het conservatorium in Gent om bij hem les te nemen.

Ik heb ongelofelijk veel van die man geleerd, over houding, handen, techniek, muziek. Hij is een fantastische musicus, componist, dirigent, heel geleerd. Hij zoekt alles tot de bodem uit, over het stuk en de componist. En hij is zelf ook altijd in beweging. Als je na een half jaar terugkomt dan kan er opeens van alles veranderen aan een stuk dat je eerder al ingestudeerd had.

In het begin kon ik op en neer reizen vanuit Stavanger, maar dat was op den duur toch niet vol te houden. Van Kugel heb ik over het Residentie Orkest gehoord, volgens hem behoort dit orkest tot de wereldtop. Dus toen de aanvoerder van de altviolen Andrew Sparrow mij belde met het voorstel om een week te komen aanvoeren, was ik meteen geinteresseerd. Toevallig vond de officiële auditie voor de aanvoerdersplek in de daarop volgende week al plaats. Ik was heel blij met die baan. Zo kon ik ook bij Kugel verder studeren in Maastricht.

DVS: Welke bijzondere hoogtepunten zou je willen noemen uit je tijd bij het Residentie Orkest?

Er zijn heel veel mooie herinneringen. In 2001, ik was pas net aangenomen, gingen we op een groot tournee met Jaap van Zweden, o.a. naar Zuid-Amerika. En tournees in Europa, met concerten in mooie zalen, in Wenen (Musikverein), Budapest enzovoort .

De tijdperk met Neeme Järvi als chefdirigent was heel bijzonder, van hem heb ik heel veel geleerd. We hebben met Järvi o.a. de 7e symfonie van Mahler opgenomen op CD, waarvoor we de “Toblacher Komponierhäuschen” prijs kregen, een speciale Mahler-prijs. Ik koester ook de solo-optredens die ik met het orkest mocht spelen, o.a. het dubbelconcert van Britten, Harold en Italie van Berlioz en het Rhapsodie-Concerto van Martinu.

DVS: Je verlaat nu dus het Residentie Orkest en gaat op kamermuzikaal avontuur met het Utrecht String Quartet. Is dat iets dat je al heel lang had willen doen, een strijkkwartet?

Ja, ik had er altijd van gedroomd om in een goed strijkkwartet te mogen spelen! Ik heb in het verleden vaker auditie gedaan bij diverse kwartetten, maar op een of andere manier wilde dat alsmaar niet lukken. Bij het USQ gebeurde het allemaal heel natuurlijk: eerst hebben we een aantal keer kwintetten (met twee altviolen) gespeeld, daarna ben ik een paar keer ingesprongen als vervanger voor Joël Waterman. Op een dag vroegen de collega’s of ik met het kwartet op een fotoshoot wilde verschijnen. Toen pas vertelden ze mij ook dat Joël het kwartet had verlaten en dat ze mij als vaste altviolist wilden.

DVS: De meeste kwartetten beginnen al jong samen, je bent relatief laat ingestapt.

Inderdaad, ze zijn al 30 jaar bezig! Het is een hele eer om zulke goede altviolisten op te mogen volgen: Daniel Raiskin, Sven-Arne Tepl, Asdis Valdimarsdóttir en Joël Waterman.

DVS: En dan het Zemtsov Altvioolkwartet. Was dat jouw idee?

Nee, het was eigenlijk Kugel, die was gecharmeerd van het idee van een familie-ensemble. Met mijn broer Alexander, mijn vrouw Julia en dochter Dana samen spelen is iets bijzonders. Maar het heeft eerst vele jaren in de lucht gehangen zonder concrete vormen te nemen. In 2010 werden we uitgenodigd bij het Grachtenfestival in de kruizing van twee concertseries: “bijzondere ensembles” en “muziekfamilies”. Toen moesten we nog repertoire uitzoeken en iets instuderen. Hiermee is het kwartet dus gevormd.

Als spin-off van onze familie-ensemble is de Zemtsov Stichting ontstaan, waarmee we bijvoorbeeld masterclasses organiseren. Zo geven we eind april een intensieve 5-daagse cursus in Heemstede voor jonge altviooltalenten.

Een ander belangrijk doel van onze stichting is om getalenteerde (altviool)studenten uit arme landen (bijvoorbeeld Colombia of Oekraïne) een kans te geven om hier in Nederland te studeren. Op 28 maart om 20:00 organiseren we een benefietconcert in het Conservatorium van Utrecht, waarbij de wereldberoemde dirigent Lev Markiz het Kamerorkest van het Conservatorium zal leiden.

Mikhail is morgenmiddag 8 maart nog te horen in het altvioolconcert van Bartok, met het Residentie Orkest in de Anton Philipszaal te Den Haag.

English translation:

Russian-born violist Mikhail Zemtsov enrolled as young talent at the Tchaikovsky Conservatory in Moscow. He since travelled the world, ending up in The Netherlands, where he served apprenticeship with Michael Kugel. Together with his wife Julia Dinerstein, he has entrenched himself deeply in the Dutch viola community, and now also their daughter Dana Zemtsov is building a career as a violist. For more than 13 years, Mikhail has served as the solo violist of The Hague Philharmonic Orchestra (Residentie Orkest), and this weekend the milestone of his departure from this job is honoured by two solo performances of Bartok’s viola concerto.

DVS: In spite of your very Russian background, you spent most of your career outside of Russia. How did this journey begin?

I met my wife Julia at the conservatory in Moscow. At a certain point her parents and two younger brothers wanted to move to Mexico, and Julia and I came along to help them get settled. Unexpectedly there was a job opportunity in the National Orchestra of Mexico, in Mexico City. I was able to borrow a viola to do the audition, and was fortunate to get the job. We had a fantastic time in Mexico, where our children were born. But after a while we had the feeling that we wanted to learn more, and the opportunities for professional growth in Mexico were too limited. So we sought our way back to Europe.

We had an opportunity to work at the Stavanger Symphony orchestra (Norway). Culturally speaking that was still a quite ‘peaceful’ place, which wasn’t all bad, as we had young children at the time, in need of our attention. And there was certainly always enough time to get some decent practicing done!

DVS: How did you end up with Michael Kugel, and what did you learn from him?

I first met Kugel at the L. Tertis Concours on the Isle of Man, where he sat on the jury. He encouraged me to pay more attention to my own development. A few years later I was able to act on that advice, and I enrolled at the conservatory of Gent (Belgium) to study with him.

I learnt incredibly much from that man, about posture, hands, technique, music. He is an amazing musician, composer, conductor, very learned. He researches everything in minute detail, about the piece and the composer. And he himself is always developing, too. If you return to him with a previously studied piece, half a year later he can have completely new insights.

In the beginning I tried to travel back and forth from Stavanger, but that couldn’t be sustained for long. Kugel first told me about the Hague Philharmonic, according to him a world class orchestra. So when the (then-) principal violist Andrew Sparrow called to invite me for a week of trying out, I was immediately interested. Coincindentally, the official auditions for the principal job took place the next week after that. I was very happy to get this job. This way I could also continue my studies with Kugel, in Maastricht.

DVS: Which special highlights would you mention, from your time in this orchestra?

There are so many good memories. In 2001 for example, I had only just started, we went on an extensive tour with Jaap van Zweden, to South America. There were also tours in Europe with concerts in beautiful halls, Vienna (Musikverein), Budapest and so on.

The period with Neeme Järvi as chief conductor was very special, I learned a lot from him. With Järvi we recorded Mahler’s 7th Symphony, for which we were awarded the “Toblacher Komponierhäuschen” prize, a special Mahler-prize. I also cherish the various solo performances that I made with the orchestra, for example the Britten Double Concerto, Harold in Italy by Berlioz and the Rhapsody-Concerto by Martinu.

DVS: So now you leave your orchestra job to go on a musical adventure with the Utrecht String Quartet. Is the string quartet something you always wanted to do?

Yes, I had always dreamt of playing in a good quartet! In the past I have auditioned several times for quartet jobs, but somehow was never selected. At the USQ, it came very naturally. We started out playing some viola quintets. After that, I substituted for the violist Joël Waterman for a few concerts. Then one day I was asked to come to a photo shoot with the quartet. Only then did they tell me that Joël had left the quartet, and that they wanted me as their new violist.

DVS: Most quartets start out at young age together. You’re coming in relatively late.

Indeed, they’ve been at it for 30 years already! It is a great honor to be the successor of so many great violists: Daniel Raiskin, Sven-Arne Tepl, Asdis Valdimarsdóttir and Joël Waterman.

DVS: And then there is the Zemtsov Viola Quartet. Was that your idea?

No, that was actually Kugel’s idea, he was charmed by the idea of a true family ensemble. Being able to play together with my brother Alexander, my wife Julia and my daughter Dana is something very special. But it was just an idea for many years. In 2010 we were invited to the Grachtenfestival (in Amsterdam) at the junction of two concert series, ‘unusual ensembles’ and ‘musical families’. So we had to pick a programme and start rehearsing. Thus the quartet actually took form.

As a spin-off from our family ensemble, the Zemtsov Foundation was created. This foundation organizes masterclasses, such as our 5-day intensive course next month in Heemstede, for young viola talents.

Another important goal of our foundation is to help talented students from poor countries (for example Colombia or Ukraine) to come to the Netherlands for their studies. On March 28th, we organise a fundraising concert in the Utrecht Conservatory, where the Conservatory Chamber Orchestra is conducted by the world famous Lev Markiz.

Mikhail can be heard tomorrow afternoon (March 8th) as soloist in the Bartok Viola Concerto, in the Anton Philipszaal in The Hague.