AVF 2017, Dag 1: Kick-off

door Kristofer G. Skaug

English version below! Follow this link.

Francien Schatborn opent het 6e Amsterdam Viola Festival

Francien Schatborn opent het 6e Amsterdam Viola Festival

Het is zover, het 6e Amsterdam Viola Festival is van start gegaan. We worden welkom geheten door artistiek leider Francien Schatborn. Vanavond begint de eerste ronde van het Nationaal Altvioolconcours, waarbij de eerste zes (van in totaal 18) kandidaten hun kunsten zullen laten horen.

Het programma vanavond is vrij bijzonder, alle kandidaten spelen precies dezelfde stukken. Ze hadden mogen kiezen tussen twee Mozart-duos, maar iedereen heeft de uitbundige G-groot duo gekozen.

Verder staat het Concertstuk van Enescu en een opdrachtsstuk van Oene van Geel als verplichte werken op het programma.

De eerste kandidaat is de Argentijns-Italiaanse Carla Regio. De Mozart gaat haar goed af, zij speelt dit duo vanavond als enige uit het hoofd, samen met violiste Cordelia Paw. In het snelle jazzstuk “Skip Count Sweet Miles” (opdrachtsstuk van Oene van Geel)

025

Carla Regio in actie met “Skip Count Sweet Miles” van Oene van Geel

laat ze zich begeleiden door een contrabas (ipv het bandje met Mark Haanstra op basgitaar). Dit verhoogt wel de kamermuzikale gehalte van het optreden, maar kent ook risico’s. In dit geval wiebelt het tempo ietswat, en komt de swing er niet goed uit. In “Gesualdo’s bovenkamer” laat ze haar klank in de improv-stukken aanvullen met een electronica-loop, waarin haar stem ook meewerkt. Effectvol gedaan! Haar inspanningen worden beloond met luid gejuich van vele aanwezige fans.

Hierna komt de russische Evgeniya Peschanskaya, masterstudente in Den Haag. Zij speelt een krachtvolle Mozart en Enescu, en in “Gesualdo’s bovenkamer” zet ze een groots uitgewerkte cadenza neer. Veel energie, veel temperament.

José Nunes

José Nunes

José Nunes laat zien dat hij veel in huis heeft. Door de zenuwen sluipen er wat schoonheidsfouten in, maar die maakt hij snel weer goed door hele sublieme zaken te doen. De Mozart was heel aardig, en in het afsluitende “Gesualdo’s bovenkamer” zijn er heel veel mooie klanken, ook al is de improvisatie niet echt heel origineel. Veel respect voor dit optreden.

Na en verkorte koffiepauze is Hessel Moeselaar aan de beurt. Een oude bekende, die wederom niet teleurstelt. In het Mozart-duo heeft hij een ongekend spannende pianissimo-plek gemaakt. De Enescu is van hoge kwaliteit. In zijn poging om de onwennige riedels in “Skip Count Sweet Miles” te bezweren, komt het een beetje flegmatiek over. In “Gesualdo’s bovenkamer” zit een improvisatie die nogal neoklassiek overkomt, daarin zijn we nogal ver afgedwaald van de grillige harmonieën van “modernist-ver-voor-zijn-tijd-uit” Gesualdo. .

De volgende kandidate is Ursula Skaug. Before you ask, ja, dat is mijn dochter, dus ik kan er niet zo objectief over schrijven. Zowel Mozart (met Vera Werkman, viool) en Enescu (met Gerard Boeters op piano) zitten goed in elkaar. In de improv van “Gesualdo’s bovenkamer” voegt ze een vleugje boventoonszang toe. Best cool.

032a

Martin Moriarty in het Mozart-duo

Als laatste kandidaat van de avond verschijnt Martin Moriarty. Hij is als altvioolspeler enorm gegroeid in Amsterdam. Wat hij laat horen is in zijn totaliteit zonder meer de beste prestatie van deze avond. Vooral zijn Enescu maakt indruk, hij neemt tijd en ruimte om het stuk meer persoonlijkheid te geven. Zelfverzekerd veegt hij de vloer aan met alle technische obstakels. Bravo.

Morgen volgen nog 12 kandidaten.

Ben blij dat ik niet in de jury zit.


~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
English Version:

Finally, the 6th Amsterdam Viola Festival has started. Artistic leader Francien Schatborn welcomes the audience. Tonight, the first round of the National Viola Competition starts, whereby the first six (of in total 18) candidates will perform.

The programme this evening is quite special, all candidates will play exactly the same pieces. They did have the choice between two different Mozart duets, but everyone chose the same exuberant G major duet. The (in)famous “Concert piece” by Enescu and a commissioned piece by Oene van Geel are also mandatory works in this round.

The first candidate is the Argentinian-Italian Carla Regio. Mozart suits her nicely, she plays this duet by heart, together with violinist Cordelia Paw. In the fast jazzy piece “Skip Count Sweet Miles”, she has brought in a double-bass player for accompaniment (instead of the tape with bass guitar played by Mark Haanstra). This heightens the chamber-music feel of the performance, but it also brings some risks. In this case the tempo is unstable, and the ‘swing’ doesn’t quite work out. In the piece “Gesualdo’s top floor”, she uses electronic sampling loops to enrich the sound, including some contributions from her own voice. Quite a nice effect! Her efforts are rewarded with loud cheers from her loyal fans.

The next candidate is the russian Evgeniya Peschanskaya, currently a master student in The Hague. Her Mozart and Enescu are forecully delivered, and the “Gesualdo’s top floor” includes a quite expansive cadenza. Lots of energy and temperament.

José Nunes demonstrates that he has quite a lot to offer. Here and there the nervousness leads to some errors, but he quickly amends for those with sublime playing. His Mozart is very good, and in the closing piece “Gesualdo’s top floor”, there are many beautiful sounds to be heard, even though the improv isn’t too original. Overall though, my respect for this performance.

After an abridged coffee break, it is Hessel Moeselaar‘s turn. An old acquaintance, who once again does not disappoint us. In the Mozart duet, he makes an unbelievably soft pianissimo. And he plays a high-quality Enescu. In an attempt to conquer the unwieldy runs in “Skip Count Sweet Miles” with an appropriate measure of jazzy laid-backness, the result becomes a bit too phlegmatic, however. In the “Gesualdo’s top floor” he builds an elaborate improvisation that sounds oddly neoclassical, in other words it strays quite far from the quirky harmonies of “modernist-far-before-his-time” Gesualdo.

Ursula Skaug is the next one up. Before you ask, yes, she is my daughter – so I can hardly write objectively about her. Both her Mozart (with Vera Werkman, violin) and Enescu (with Gerard Boeters, piano) are well done. During the improv in “Gesualdo’s top floor'”, she throws a waft of overtone singing into the mix, quite cool.

The last candidate for tonight is Martin Moriarty. He has grown enormously as a a violist during his years in Amsterdam. His overall performance is hands-down the best achievement of this evening. Especially his Enescu is impressive, he takes the time and space to give the piece more personality. He confidently deals with all technical challenges in this piece. Bravo.

Tomorrow, the 1st Round continues with 12 more candidates.

I’m glad that I’m not in the jury.

 


Interview Oene van Geel

door Kristofer G. Skaug

English version below! Follow this link.

Oene van Geel: altviolist, improvisator, componist. In 2013 winnaar van de prestigieuze Boy Edgar prijs. Deze week is hij in beeld bij het Amsterdam Viola Festival, waar hij zowel als componist, masterclassdocent en musicus deelneemt. Tegelijkertijd treedt hij op met zijn groep “Estafest” in het Bimhuis. Vorig jaar is ook zijn eerste solo-CD uitgekomen, “Sudoku”. De DVS ging op bezoek bij Oene thuis in Landsmeer om deze muzikale allesvreter beter te leren kennen.

DVS: Denk je bij het componeren primair aan bezettingen, of meer aan specifieke mensen en groepen?

Ik denk zoveel mogelijk vanuit specifieke mensen. Toen ik het altvioolconcert ging schrijven ging het mij veel meer om de persoon Emlyn Stam (voor wie het concert geschreven werd, red.), dan dat ik iets voor altviool wilde maken. Ik ging in overleg met hem, waarbij het ook ging om de mensen in zijn New European Ensemble. We hebben uitgebreid gesproken over zijn muzikale voorkeuren. Ik vind het juist zo gaaf om iets te schrijven voor mensen die mij inspireren, dat geeft heel veel richting. Dode musici en dode componisten, die kunnen niet meer overleggen – hoe mooi die muziek ook is.
Wat bezetting en muziekstijl betreft, ik vind het hele spectrum interessant, van zeer uitgesproken rytmisch tot heel melodisch of harmonisch. Noem mij maar een nerderige knutselaar, die allerlei dingen probeert te ontleden tot de kern. En dan kun je van alles daarmee gaan combineren.

DVS: Je hebt voor het komende Nationaal Altvioolconcours twee stukjes geschreven, is dat voor het eerst dat je een concoursstuk schrijft?

Nee, ik heb voor de Cellobiënnale in 2008 een concoursstuk gemaakt, dat was hartstikke leuk om te doen. Het eerste deel daarvan wordt nog steeds veel gespeeld. Het derde deel heb ik onlangs herschreven, omdat het eigenlijk te moeilijk was.  Dat was leerzaam.

En met deze stukken hoop ik om altisten iets nieuws mee te geven, dat ze met andere dingen in aanraking komen.

Voor het eerste stuk (“Skip Count Sweet Miles”) leek het me leuk om iets te doen met totale jazz-esthetiek, met mensen zoals Lee Konitz en Warne Marsh, Amerikanen die vooral samen met anderen zich baseerden op standards van bekende stukken, maar daar op een eigenzinnige manier geraffineerde themas overheen schreven. Ik heb drie stukken van Monk, Coltrane en Dave Brubeck gemengd tot één stuk, en daar ben ik een thema op gaan bouwen.

DVS: Hier zit een basgitaar track bij, best snel!

Ja, daarom heb ik later een paar langzamere tempi meegegeven als alternatief. Het gaat mij erom dat er een bepaalde swing of drive erin zit.

20170209_008

Oene coacht concoursdeelnemer Hessel Moeselaar in “Skip Count Sweet Miles” met contrabas

DVS: En het tweede stuk “Gesualdo’s Bovenkamer” is heel anders, met juist vrije tempi?

Gesualdo was een interessante componist. Zijn levensverhaal was dramatisch, hij vermoorde zijn eerste vrouw, uit jaloezie. Maar zijn muziek is nog bijzonderder. Ik kocht een CD van Collegium Vocale Gent met een paar van zijn madrigalen, en ik raakte gebiologeerd door die klankwereld, hele boeiende muziek. Je herkent er wel de wetten van contrapunt en stemvoering in, maar het moduleert alle kanten op! Uit een aantal van deze madrigalen heb ik elementen gehaald, en die fragmenten van 5-stemmige muziek heb ik teruggebracht naar een altviool solostuk. De originele eindsequens van 4 harmonieën heb ik doorgebouwd, die systematiek heb ik doorgezet naar een langere afdalende lijn. Er zijn drie gemarkeerde gedeelten in dit stuk, en daartussen zitten twee korte improvisatieplekken waar de deelnemers iets van zichzelf kunnen laten horen. Ik hoop dus dat deze plekken elke keer totaal anders zijn! Misschien bedenken de deelnemers zelf van tevoren een kadens, of een spontane improvisatie ter plekke. Mijn enige verwachting is dat deze inbreng ergens in verhouding staat tot de door mij uitgeschreven noten.

DVS: Spannend voor de altviolist om op avontuur te gaan met dit stuk!

Het avontuur van de improvisatie, dat vind ik ook leuk om als luisteraar mee te maken, en daar wou ik de concoursdeelnemers ook in stimuleren. In het eerste stuk (Skip Count…) loopt de begeleiding (bas) gewoon door, dat heb je mee te “dealen”. Daarom is het mooi als contrast, een tweede stuk waar je helemaal zelf de boog mag maken.

DVS: Behalve dit contrast, had je een verband gedacht tussen deze twee stukken?

Nee, bewust niet. Er was eerst ook een derde deel bij, een stuk helemaal pizzicato, in gitaarhouding. Dan vraag ik wéér een helemaal andere techniek en een onbekende speelwijze. Het werd echter te lang en teveel nieuw materiaal bij elkaar, dus dat laatste deel heb ik weggelaten. Maar ik had dus bewust drie heel vershillende stukken bedacht.

DVS: De twee eerste stukken veroorzaken misschien al genoeg “angst”?

Ik hoop dat we het niet over ‘angst’ hoeven te hebben, en meer over wat er te ontdekken valt! Het is een concours, maar het gaat mij niet om wie ‘de beste’ is. Ik wil vooral zien wat er bij eenieder te halen valt. Soms kunnen gevoelens van weerstand en angst je wel uit de automatische piloot halen, waardoor je wel verder komt, dus dat gevoel is in mijn optiek niet altijd verkeerd, als het maar geen kramp wordt. Maar ik hoop vooral dat er een gevoel gaat heersen van ‘oh, leuk!’ eerder dan ‘oh, help!’, want dat laatste is niet wat ik beoog met zo’n concoursstuk.

20170209_012

Workshop met Oene bij Conservatorium van Amsterdam, vorig week.

DVS: Je bent net terug van een reisje naar Taiwan – wat heb je daar gedaan?

Met de Nordanians heb ik daar op een percussiefestival gespeeld. De Nordanians is een groep met tabla (indiase drums, red.), gitaar, ik op vijfsnarige viool en tegenwoordig ook een bayan (een Russische knoppen-accordeon). En we hebben een chinese gast-percussionist, een jongen die ook klassiek slagwerk heeft gestudeerd, en nu voor dirigent studeert in Helsinki, hij speelt harstikke goed. Dus we waren met z’n vijven dit keer. Op een gegeven moment werd ik door vier man gedragen terwijl ik op een grote Chinese trommel  stond te spelen. Het was een heel leuk avontuur. Er waren veel slagwerkgroepen, vooral uit Azië. Het is leuk als je zo ver weg bent, in een hele andere entourage, en je toch ook zo welkom voelt.

Het was al de 10e keer dat dit festival georganiseerd werd. Stampvol, veel publiek. Twee Taiko-groepen uit Japan, met fluit en Shamisen erbij; en traditionele Chineze groepen. Wij waren erbij als cross-over groep, met ook invloeden uit Indiase muziek, jazz, kamermuziek, balkan, Moldavië…  daarin waren wij wel heel anders dan de meeste andere groepen, maar dat vond men hartstikke leuk.

DVS: Je hebt een aantal musici om je heen, verschillende bezettingen: Je strijkkwartet Zapp4, The Nordanians, en nog meer?

Ik heb ook een duo met Mark Haanstra op basgitaar, we spelen al 20 jaar samen, zeer boeiend. Je moet alles met z’n tweeën overeind houden. Alle passages die normaal gesproken door een violist worden gespeeld, moeten dan op de altviool eruit komen. Dat gaat dus soms opeens enorm hoog en snel, dan kan ik totaal niet achterover leunen. Maar het is heel leuk om met z’n tweeën te wisselen tussen heel sober spelen en groots orkestraal uitpakken. Hoe kleiner de bezetting, hoe flexibeler kun je reageren, net als in de kamermuziek.

Een andere belangrijke groep is Estafest: Gitaar, piano, sax, en ik op altviool en percussie. Ten tijde van het altvioolfestival spelen wij in het Bimhuis.

DVS: Zoek je in elke groep bewust er iets anders uit te kunnen halen?

Ja, zeker! Maar het gaat mij vooral heel erg om de persoonlijkheden die erin meespelen, en er is altijd wel een link met geïmproviseerde muziek. Er is geen ene groep waar er alleen maar vaststaande noten worden gespeeld – dat doe ik als componist al genoeg. Ik vind het als speler vooral leuk om samen met elkaar de muziek te boetseren.

DVS: Zijn de muziekstijlen dan ook heel anders in deze ensembles?

Ja, bij de Nordanians is Niti Ranjan bijvoorbeeld een grootmeester op de Tabla – hij kent die muziek van haver tot gort. Ritmisch is onze muziek dus heel erg door indiase muziek geïnspireerd. Maar wat we harmonisch en melodisch daarop doen heeft meer met moderne jazz te maken. Maar het is geen abstracte band. Estafest kan daarentegen soms een heel abstracte kant op gaan. Het is juist leuk dat je niet bij elke band hetzelfde hoeft te doen.

Wat ik ook heel spannend vind is een nieuwe duo met een danseres, dus altviool en dans. Zij heet Miri Lee, en komt oorspronkelijk uit Korea. Dat is helemaal geïmproviseerd, en uit al die dansbewegingen krijg je zo’n andere soort informatie, vergeleken met collega musici. Het is heel boeiend om naar dans te kijken en te ervaren wat dat oproept, waardoor je vaak meer “beeldend” werkt en denkt.

DVS: Soms benadert het lichamelijke werk van een musicus ook een soort choreografie; er wordt vaak gediscussieerd over niet-functionele “uitspattingen” bij podiumartiesten, terwijl oude helden als Menuhin en Heifetz geen spier teveel gebruikten.

Daar valt veel voor te zeggen, want als je perfect efficiënt bent, kom je technisch waarschijnlijk verder. Het belangrijkste is om te weten wat je bij jezelf vindt passen. Zelfbeheersing moet niet als een keurslijf aanvoelen, maar aan de andere kant moet je ook niet denken dat je alleen voor de show moet bewegen. Interessante vraag: Hoe sta je als speler, componist en mens uberhaupt dicht bij jezelf? Dat moet je zelf ontdekken, en af en toe eens ook uit de bocht durven vliegen.

DVS: Je krijgt heel veel minutieuze instructies op (alt)vioolles, continu prikkels en correcties. Het is moeilijk om daardoorheen nog je eigen authentieke lichaamstaal te ontdekken.

In die zin heb ik zelf een onorthodox parcours gedaan. Ik had wel klassiek bijvak, maar ik heb altijd vooral op mijn eigen manier gespeeld: Technieken verzonnen die ongebruikelijk zijn, en heel eigenwijs klassikale technieken niet geoefend.

Sudoku_vanGEel

Oene’s eerste soloalbum, “Sudoku” (2016)

DVS: Je concoursstukken zijn voor de klassieke conservatoriumstudenten aanleiding om uit hun comfort zone te worden getrokken met jazz en improvisatie. In het algemeen moet een musicus in staat zijn om muziek zelfstandig uit te vormen met frasering en klank. Wordt er bij klassieke muziekstudenten wel genoeg tijd voor uitgetrokken om de muzikale fantasie te stimuleren?

Ik heb veel overleg gehad tussendoor met Marjolein Dispa en Francien Schatborn (docenten van het CvA, red). Ik heb met Francien en ook Joël Waterman samen in de altvioolsectie gezeten bij een project het muzikantencollectief Splendor. Francien vond dit project super leuk en wilde graag nieuwe invloeden bij het Conservatorium in huis halen. Dit is een soort speldenprik om de jonge musici in die richting te bewegen. Ik vond het heel belangrijk om, naast de noten van mijn stukken, ook allerlei voorbeelden (YouTube-links) aan te mogen leveren die samenhangen met deze muziek – o.a. de Gesualdo-madrigalen, en voorbeelden van Konitz, Monk, en Miles Davis. Het is fijn dat de studenten te weten komen waar ik het allemaal vandaan heb, welke tradities er achter de noten staan. Dat moet niet per se, maar het kan hen wel op ideeën brengen. Al is het maar dat ze een ochtendje thuis uittrekken om de klankwereld van Gesualdo in te duiken. Dan is er al iets bereikt.

Ik ben zelf altijd heel nieuwsgierig naar vensters op iets nieuws. De eerste keer dat ik Quatuor pour la Fin du Temps (Messiaen) hoorde, er ging een wereld voor mij open. Of als ik bepaalde stukken van Penderecki eens hoor. Nieuwe geluiden kunnen je beeld zo verrijken. Dus zo’n nieuwe compositie kan aanleiding zijn tot zelfwerkzaamheid en een soort veldonderzoek. Maar dat is ook de graver en de nerd in mij die altijd maar wil zoeken en fascinerende dingen vindt die hij wil gaan uitpluizen. Iedereen is anders natuurlijk, maar het zou leuk zijn als er mensen bij het concours zijn die daar ook in gestimuleerd worden.

DVS: Behalve met je vaste groepen, zijn er optredens geweest met musici aan wie je bijzondere herinneringen koestert?

Ja, dan moet ik meteen denken aan de samenwerking van Zapp4 met Jan Bang. Dat is een Noorse elektronica-speler, hij had van ons allevier het microfoonkanaal aangesloten en werkte met live sampling/ klankmanipulatie. Wij waren helemaal aan het improviseren, en hij kon als een schaker de verschillende samples naast elkaar leggen en op nieuwe manieren combineren in tijd, soms ook met een nieuwe toonhoogte. Daar reageerden wij dan weer op, en zo ontstond een hele bijzondere klankwereld. Het is alsof je de muziek teruggespiegeld krijgt, maar dan vervormd, zodat er ook nieuwe dingen ontstaan. Die combinatie van akoestisch en elektronica werd heel bijzonder, dankzij zijn organische spelenderwijs componeren met het opgenomen materiaal. Alles was gebaseerd op een “open visier” aanname van onze klanken, expres zonder andere inbreng “van buitenaf”.

DVS: En daarnaast zijn er misschien mensen met wie je nog graag in de toekomst zou willen samenwerken?

Zeker! Theo Loevendie is een van mijn grote helden; componist en nu 86 jaar en nog altijd heel actief. Hij speelde tot zijn 84e nog saxofoon maar moest daarmee stoppen vanwege de oogdruk. Dus nu speelt hij piano. Hij maakt daar enorme vooruitgang mee. Op het festival Wonderfeel (in juli) komt een premiere van een nieuw stuk van hem, geschreven voor Erik Bosgraaf, hem en mijzelf. Theo is voor mij hèt voorbeeld van iemand die altijd blijft zoeken, contact maakt met alle generaties, componeert, speelt, en improviseert. Ik vind het een grote eer om in zijn nieuwe stuk, samen het hem te mogen spelen.

Oene van Geel geeft workshop Improvisatie tijdens DVS congres 2013

Oene van Geel geeft workshop Improvisatie tijdens DVS congres 2013

DVS: Wij zitten natuurlijk ook te hopen dat je iets wilt doen bij het Internationale Altvioolcongres in Rotterdam, dat we in november 2018 gaan organiseren.

Klinkt harstikke leuk, ja! Dat najaar doe ik ook mee bij het festival November Music in Den Bosch, daar wordt dan van mij een dubbel celloconcert en opnieuw het altvioolconcert (met Emlyn) uitgevoerd. Ik zou het ook erg leuk vinden om dan bij het congres iets met bijvoorbeeld George Dumitriu samen te doen. Een altvioolkwartet misschien, dat lijkt mij een mooie uitdaging!

DVS: Ik zou zeggen, “hold that thought”! En dank voor je tijd!

De concoursstukken van Oene zijn te horen in de 1e Ronde van het Nationaal Altvioolconcours, op 15-16 februari as.. De door de jury als beste gekozen vertolking van deze stukken wordt nog eens uitgevoerd bij de “Bonte avond” op zaterdag 18 februari in Splendor, aanvang 20.30u.

Het altvioolconcert van Oene wordt uitgevoerd door Annemarie Hensen, begeleid door een conservatorium-ensemble met Oene zelf op cajon! Donderdag 16 februari in de Sweelinckzaal van het CvA, aanvang 19.30u.

Het optreden van Estafest in het Bimhuis Amsterdam is ook op donderdag 16 februari, aanvang 20.30u (meer informatie: http://bimhuis.nl/concerten/estafest-8).

Oene geeft daarnaast een masterclass improvisatie op zaterdag 18 februari in de Haitinkzaal van het conservatorium, aanvang 11.00u.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

English Version:

Oene van Geel: violist, improviser, composer. In 2013 he won the prestigious Boy Edgar award. This week he is in the picture at the Amsterdam Viola Festival, where he participates in the capacity of composer, masterclass teacher and musician. He also performs with his group “Estafest” in the Bimhuis this week. Last year he released his first solo album “Sudoku”. The DVS visited Oene at home in Landsmeer, to learn more about this multi-talented musician.

DVS: When you compose, do you think primarily in terms of instrumentation, or rather about the specific people you are writing for?

I tend to think as much as possible about specific people. When I started out writing my viola concerto, I was definitely more preoccupied with the person Emlyn Stam (for whom the concerto is written, red.) than with the purpose of creating something for the viola as such. I talked to him, also about the people in his New European Ensemble. We discussed extensively about his musical preferences. I particularly enjoy writing music for people who inspire me, this gives me a lot of direction. Dead musicians and dead composers are not able to discuss with each other, no matter how beautiful their music may be.

In terms of instrumentation and musical style, I am interested in all styles, from markedly rhythmical to very melodic or harmonic music. You can call me a nerdy dabbler, who tries to reduce (musical) things to their core. And then you can combine all sorts of things with that.

DVS: For the upcoming National Viola Competition, you wrote two pieces. Is this the first time that you wrote a competition piece?

No, I also composed for the National Cello competition at the Cellobiënnale in 2008, and I really enjoyed that. The first movement of that piece is still frequently played. I recently re-wrote the third movement, because it was really a bit too difficult. So that was a learning point.

With these viola pieces I hope to offer something new to violists, so that they get in touch with other things than they’re used to.

For the first piece (“Skip Count Sweet Miles”) I thought it would be fun to do something purely jazz, inspired by people like Lee Konitz en Warne Marsh, Americans who – in cooperation with others – started with standards of well-known pieces, but wrote their own refined themes on top of that, in their very own wayward manner. I have mixed three pieces by Monk, Coltrane and Dave Brubeck, and then built a theme based on that.

DVS: There’s a bass guitar track to go with this piece, and it’s quite fast!

Yes, and therefore I added a few tracks with slower beats later on, as options. The important thing is that there’s a certain swing or drive in the performance.

DVS: And the second piece, called “Gesualdo’s Bovenkamer” (Gesualdo’s Top Floor) is very different, with free tempi?

Gesualdo was an interesting composer. His life story was a dramatic one: he murdered his first wife out of jealousy. But his music is even more special. I bought a CD by Collegium Vocale Gent with a few of his madrigals, and I was fascinated by that sound idiom, very captivating music. You can recognize the laws of counterpoint and voice leading in this music, but it modulates all over the place! From a number of these madrigals I took some elements; and these fragments in five voices were then boiled down to a solo viola piece. I also extended the system in the original closing sequence of four harmonies, into a longer descending line. The piece has three marked sections, with two breaks for short improvisations. This is where the contestants can really expose something of their own. So I do hope that these two improvs are very different every time! Maybe the contestants have worked out a cadenza in advance, or they do a spontaneous improv on the spot. But I would still hope that this own contribution bears some relation to my written score.

DVS: It is surely exciting for the violist to get to be adventurous with this piece!

The adventure of improvisation, I enjoy this experience as a listener, and I wanted to encourage the competition candidates in this respect. In the first piece (Skip Count…) the bass runs along whatever happens, and you have no choice but to deal with that. That’s why the second (Gesualdo) part is such a gratifying contrast, where you are in control of the flow of time.

DVS: Apart from this contrast, did you have a logical connection between the two parts in mind?

No, consciously not. Initially I also had a third piece in mind, altogether pizzicato, to be played guitar style. This requires yet another uncommon technique. But it all became too long and too much new material for the purpose and timeframe of this project, so I left out that last part. But the point is that I had conceived on three completely different pieces, on purpose.

DVS: The two first pieces may already cause enough anxiety among the contestants?

I really hope that we won’t have to discuss anxiety in this context, just all the features that are there to be discovered! Yes, it is a competition, but it is for me not so important who “the best player” is. I most of all want to see what potential each player offers. Sometimes, feelings of resistance and fear can help to kick you out of the ‘automatic pilot’, thus advancing your progress. So such discomfort is in my view not necessarily a bad thing, so long as it doesn’t work like a constraint.  But I mostly hope that my music will evoke a feeling of “oh, great!” rather than “oh, help!”, because the latter is certainly not my intention with this piece.

DVS: You just returned from a trip to Taiwan – what did you do there?

There was a percussion festival there, and I played with the Nordanians, a group with tabla (indian drums), guitar, myself on a 5-string viola and currently also a bayan (a Russian accordeon). And we have a Chinese guest percussionist, a guy who also studied classical percussion and now studies conducting in Helsinki. He’s a really good player. So there were five of us this time. At a certain point I was carried around by four men while playing big Chinese drum. It was a great adventure. There were lots of percussion groups, mainly from Asia. It’s very nice when you’re so far from home, in a completely different setting, and still can feel so welcome.

This was the 10th edition of this festival. Full house, lots of audience. Two Taiko groups from Japan, with flute and Shamisen (a kind of banjo), and traditional Chinese ensembles. We participated as cross-over group, with influences from Indian music, jazz, chamber music, Balkan, Moldavian music … in this respect we were definitely the “odd band out”, but we felt very much appreciated there.

DVS: You are surrounded by a number of musicians in different settings: Your string quartet Zapp4, The Nordanians… what more?

There’s this duo with Mark Haanstra on bass guitar, we’ve played together for 20 years, very stimulating. We have to keep everything going with just the two of us. All bits that usually are played by a violist, I have to somehow produce with the viola. That sometimes takes me to extreme heights and speeds, so there’s no relaxation possible. But I like the way we are able to vary between thin, modest passages and big orchestral flourish. The smaller the group, the more flexible you can react to each other’s impulses, just like in chamber music.

Another important group is Estafest: Guitar, piano, sax, en myself on the viola and percussion. During this week’s Viola Festival, I also perform with this group in the Bimhuis!

DVS: Are you consciously looking to achieve different things with the different groups?

Yes, for sure! But the most important thing for me are the different personalities that I get to play with in each band. And there is almost always a link with improvised music. None of my groups play only written, fixed notes – I get to do enough of that as a composer. As a performing musician, I particularly enjoy shaping the music, together.

DVS: Are the musical styles in your bands very different?

Yes – in the Nordanians we have Niti Ranjan, for example; he’s a true grand master of the Tabla, he knows all the ins and outs of this music. So rhythmically speaking, our music is therefore very much inspired by Indian music. But harmonically and melodically, what we put on top of that is more akin to modern jazz. However, it’s not really an abstract band.

In Estafest, on the other hand, we can sometimes take a very abstract direction. I’m very glad that I don’t have to do the same thing with every band!

I’m also very excited about a new partnership, viola with a dancer. Her name is Miri Lee, she’s originally from Korea. It is all completely improvised, and from all those dance movements you get such a different kind of information, compared to fellow musicians. It is very fascinating to watch her dance and to sense what that evokes in me, whereby I work and think more in visual terms.

DVS: Sometimes, the physical exertions of a musician also approach a kind of choreography. There are regular debates about non-functional “histrionics” of musicians on stage, while old heroes like Menuhin and Heifetz hardly made any excess movements while playing.

There’s a lot to be said for that, because if you’re perfectly efficient, you will probably advance further technically. But you should be aware what suits yourself best. Self-control should not be experiences as a straightjacket, but on the other hand you also shouldn’t be compelled to move just for the show effect. Interesting question: How do you manage as artist, composer and human being to remain authentic? This has to be your own personal discovery, whereby you also must dare to go over the edge at times.

DVS: During your violin/viola training, you receive myriads of detailed instructions, a continuous stream of stimuli and corrections. It can be hard to discover your own authentic body language through all that.

In that sense I have followed an unorthodox path. I did have classical studies as minor subjects in school, but I always played things my own way, inventing unusual techniques, while quite stubbornly neglected to practice the classical techniques.

DVS: Your two pieces for the competition are certain to draw most classical viola students out of their comfort zone, with jazz and improvisation. But in general, a musician must be prepared to shape his own music independently, in terms of phrasing and sound. Is enough time allocated at the  Conservatory to stimulate and develop the musical imagination of the classical students?

Well, I have discussed quite a bit with Marjolein Dispa and Francien Schatborn (viola teachers at the Conservatory of Amsterdam, red).  I once sat together with Francien and also with Joël Waterman in the viola section of a project at the musician’s collective Splendor. Francine loved this project, and wanted very much to draw new influences into the Conservatory.

So these pieces are a stimulus to move the young musicians in that direction. Next to the scores, I also had the opportunity to provide all kinds of examples (YouTube links) that relate to these pieces – for example the Gesualdo madrigals, and pieces of Konitz, Monk, en Miles Davis. It is important for me that the students learn where it all came from, which traditions are behind the notes. It’s not mandatory of course, but it can inspire some ideas in them. Even if they just spend one extra morning at home to explore the sound world of Gesualdo. Then we have achieved something.

I was always very curious for new things. The first time that I heard Quatuor pour la Fin du Temps (Messiaen), it was a new world for me. Or hearing certain pieces of Penderecki. New sounds can enrich your outlook so much. So new compositions promote an active stance in the musician to do field research. But then again, that is the digger and the nerd in me, who is always searching for fascinating things to sort out. So everyone is different of course, but I would be pleased if some of the competition entrants actually pick up on this.

DVS: Outside of your regular bands, have there been performances or collaborations with other musicians that you particularly enjoyed?

Yes, that immediately makes me think of the collaboration of Zapp4 with Jan Bang, a Norwegian electronics artist. He hooked into the microphone channel of each of us, and then started sampling and manipulating these sounds in real time. We were totally improvising, and he mixed and combined the different samples in new ways, sometimes even with a modified pitch. We reacted to this in our turn, and thus a very peculiar sound world arose. It was as if you get the music mirrored back at you, but transformed, so that new things were created. This combination of acoustic and electronic sound became very special, thanks to his organic and playful composing with the recorded material. All of it was based on an open acceptance of our sounds, without any external additions.

DVS: And then there are perhaps people with whom you are looking forward to work in the future?

Absolutely! Theo Loevendie is one of my big heroes; a composer, 86 years old and still going strong. He played the saxophone until very recently, but had to stop due to high eye pressure. So he started playing the piano instead, and he’s making giant strides with it. At the Wonderfeel festival (in July) he will premiere a new piece, written for Erik Bosgraaf, him, and myself. Theo is for me the ultimate example of someone who always keeps searching, connecting with all generations, composes, plays and improvises. It is a great honour for me to get to play with him in his new piece.

DVS: We are of course also hoping that you would like to contribute something at the International Viola Congress in Rotterdam, which we are working to organise in 2018.

That sounds like fun, sure! During that time, I am also contributing at the November Music festival in Den Bosch, where a double cello concerto of mine will be performed, along with my viola concerto (again with Emlyn as soloist). I would really like to work with for example George Dumitriu at your congress. A viola quartet perhaps, that sounds like a nice challenge!

DVS: Well, hold that thought! – And thanks for your time!

Oene’s competition pieces can be heard in the 1st Round of the National Viola Competition, Feb. 15-16th in the Sweelinckzaal at the Conservatory of Amsterdam. The best interpretations (as deemed by the competition jury) will be performed during the concert in Splendor Amsterdam, on Saturday Feb. 18th, starting at 20.30h.

The viola concerto will be performed by Annemarie Hensen, accompanied by a conservatory ensemble with Oene himself on cajon! Thursday Feb 16th in the Sweelinckzaal, starting 19.30h.

The Estafest performance at Bimhuis Amsterdam is also on Thursday Feb 16th, starting 20.30h. (more information: http://bimhuis.nl/concerten/estafest-8).

Oene also teaches a Masterclass Improvisation on Saturday Feb 18th int he Haitinkzaal of the Conservatory, starting at 11.00h.

 

 


Interview Jan van der Elst, vioolbouwer

door Kristofer G. Skaug

English version below! Follow this link.

Velen erkennen het belang van de verbindende middenstem in de muziek. Een belangrijke maar toch ook vaak introverte stem. De altviool valt eigenlijk vooral op als, om wat voor reden dan ook, haar stem tijdelijk zwijgt. Opeens klinkt het ensemble dun en onsamenhangend. Alle betrokkenen, behoudens wellicht de enkele eerste violen, kijken dan verbaasd op en verlangen naar de terugkeer van het vriendelijke bronzen altgeluid. De eisen die in de loop der tijd aan de altviool worden gesteld zijn echter enorm toegenomen. De welluidende middenstem moet heden ten dage ook echt luid kunnen klinken en de aandacht op zich kunnen vestigen. Dit heeft geleid tot een veelheid aan verschillende maten, timbres en innovaties.

Een vioolbouwer die zich het lot van de altviool en haar bespelers heeft aangetrokken is de Dordtse vioolbouwer Jan van der Elst. In zijn atelier te Dordrecht zet hij zich al 20 jaar in voor de ontwikkeling van de altviool. Tijdens het Altvioolfestival in Amsterdam zal hij ingaan op praktische zaken die het leven van de altist kunnen verlichten. Geen onnodige theoretische verhandelingen, maar nuttige wenken omtrent de verzorging van het geliefde strijkinstrument de altviool.

Jan_vd_Elst_website_1DVS: Hoe ben je begonnen met vioolbouwen?

Normaal gesproken ga je eerst naar school toe, en daarna bij een meester in de leer. Maar ik heb het eigenlijk precies andersom gedaan. Ik ben eerst in de leer gegaan bij vioolbouwer Robert Walters in Rotterdam (bij velen bekend als “Rob Viool”, en onlangs in 2013 overleden – red.), daar heb ik mijn eerste viool gebouwd. Daarna, midden jaren tachtig, ben ik naar de school in Newark-on-Trent gegaan in Engeland. Het was heel moeilijk om op die school toegelaten te worden, maar mede dankzij mijn opgedane ervaring en meegenomen viool als proefstuk is dat gelukt.

DVS: Leerde je toen alle strijkinstrumenten bouwen?

Nee, je begint met de viool. Een viool bouwen is niet technisch moeilijker of makkelijker dan altviool of cello, maar het is voor de school organisatorisch eenvoudiger als iedereen hetzelfde bouwt. Daarnaast is een viool bouwen in financiëel opzicht minder riskant dan de grotere instrumenten, want als er iets misgaat ben je niet zoveel kostbaar hout kwijt.

Onze school zat in een oud bankgebouw, de opleiding duurde 3 jaar, in elk jaar zaten 12 leerlingen. De atelierruimtes waren te klein voor het met z’n allen bouwen van grote instrumenten zoals cello en contrabas. In het 3e jaar mocht je kiezen om een cello te bouwen, maar niet voor je eindexamen. Dat moest altijd een Stradivarius-model zijn. Ik heb tot de dag van vandaag nog nooit een cello gebouwd.

DVS: Hoe ben je dan uiteindelijk op het spoor van altvioolbouw terechtgekomen?

In het 2e jaar van school heb ik mijn eerste altviool gebouwd. Dat is de altviool waar Karin (Dolman, red) nu nog op speelt. Die heb ik meegenomen naar Nederland terwijl de lak nog niet eens klaar was. Ik vond de altviool niet goed klinken, dus heb ik hem op de plank gezet als een mislukt project.

Karin was toen aanvoerder van het NJO (Nederlands Jeugdorkest, red.), en speelde op een kleine en vrij dure altviool. We hadden toen nog niets, ze woonde hier gewoon in dezelfde straat. Zij vond mijn eerste altviool wel mooi. En bovendien vond de leiding van het NJO dat een grotere altviool beter bij haar status als aanvoerder paste! Zo heb ik Karin leren kennen, en sindsdien ben ik mij steeds meer in Karin en altviolen gaan interesseren.

DVS: Zijn je altvioolklanten anders dan bijvoorbeeld violisten?

Altviolisten zijn veel makkelijker in de omgang. Niet dat ze minder eisen stellen, maar ze blijken vaak intelligenter dan mede-musici door hebben, en hebben oog voor het het grotere geheel, waardoor ze meestal minder navelstaren. Ze zijn teamspelers, die gewend zijn om een middenstem met verbindende functie te spelen. Dat ondersteunt een bepaald karakter, een bepaald overzicht. Er worden festivals voor cello en altviool georganiseerd, maar niet voor violisten. Dat heeft waarschijnlijk met de typische rol van dit instrument te maken.

DVS: Zijn jouw altviolen gebaseerd op een bepaald idee, een bepaald model waar je naartoe bent gegroeid?

Ik vind het nederlands niet altijd zo’n mooie taal, maar het woord “altviool” vind ik wel heel duidelijk. Het gaat om een alt-viool, niet om een tenor-cello. Dus mijn streven is niet om een altviool a la Max Möller te maken, die heel diep klinkt. In het orkest is het wel goed om een paar heel diep klinkende altviolen te hebben, maar in een strijkkwartet zit je daarmee al gauw de cello in de weg. Dus mijn idee is om uit te gaan van het woord: altviool.

Het model van mijn eerste altviool (die Karin nu bespeelt) is van de Guarneri-familie. Dat is een standaard model voor een moderne altviool, die èn behoorlijk diep klinkt èn ook solistisch goed uit de verf komt. Maar ik ga daarbij uit van het vioolmodel van Bartolomeo Guarneri Del Gesù (de kleinzoon van Andrea Guarneri), die zelf geen altviolen bouwde. Van daaruit heb ik mijn eigen altviool ontwikkeld. Het standaardmodel is 41.7cm, uitgaande van een 37.5cm mensuur. Een paar maanden geleden heb ik voor het eerst een kleiner model getekend, 40.5cm.

Tussendoor heb ik ook een Maggini-model gemaakt, met hele korte mensuur en hele kleine C-tjes; maar ik heb daarbij ondervonden dat dit niet “mijn ding” is, dus daar ben ik weer vanaf gestapt. In feite heb ik dus door de jaren heen 4 altvioolmodellen gemaakt.

DVS: Heb je nog ontwikkelingen in gedachte voor de toekomst?

Nou, dit is al een hele stap hoor, om een ietsje kleinere altviool te maken. De altvioolmarkt is eigenlijk heel klein. Maar wie weet …!

Ik bouw ook graag violen, maar violen kunnen soms echt afschuwelijk mislukken, zodat ze helemaal niet klinken. Alles zit zo dicht bij elkaar, dan kan een kleine onnauwkeurigheid grote gevolgen hebben. Bij altviolen is die risico kleiner.

Het leuke met altviolen is bovendien dat de afmetingen veel minder vastliggen dan bij violen. En ook de meningen over hoe een altviool hoort te klinken hebben een grotere spreiding. Persoonlijk houd ik van een helder instrument.

Een praktijkvoorbeeld: Ik had laatst iemand die altviolen kwam uitzoeken van een bepaald type. Ik had er zes of zeven staan. Daarvan bleven uiteindelijk twee over: Een heel donker klinkend instrument dat in een kleine ruimte veruit het mooiste klonk; en een wat minder klinkend instrument, maar met meer helderheid. Toen heeft Karin deze instrumenten vanuit mijn werkplaats bespeeld terwijl de klant met mij in de winkel bleef staan. De meer heldere altviool won het in deze situatie glansrijk van de andere, en hij klonk ook dieper. Bij zulke instrumenten bestaan de lage tonen bij de gratie van de hoge tonen, dat vind ik fascinerend, en dat is mijn ideale klankbeeld voor de altviool. Als je geen hoge tonen hebt in het lage, dan blijft er niets over. En daarom heet het dus ook een alt-viool.

DVS: Wat wil je nog meer graag kwijt aan de altviolisten van deze wereld?

Een van mijn stokpaardjes is bijvoorbeeld het staartstuk! Een staartstuk moet altijd ingebouwde fijnstemmers hebben, omdat veel altviolisten op stalen snaren spelen, die je eigenlijk niet goed met een stemschroef kunt stemmen. Het is onbegrijpelijk dat niet alle staartstukken zo gemaakt worden. Voor de snaren zelf wordt nog veel aan innovatie gedaan, qua materialen en productie. Maar de staartstukken zijn daarin vaak niet meegekomen. De plastic staartstukken van tegenwoordig zijn niet altijd zo sterk, en zijn lelijk bovendien. De oude houten staartstukken hadden vaak een onhandig push-systeem van snarenbevestiging, hopeloos! Maar dit jaar komt er vanuit Duitsland een nieuwe soort staartstukken met een hele goede fijnstemmer mechanisme. Daar zit ik echt op te wachten!

20150808_121

Jan van der Elst bij het KamermuziekAtelier Delft, 2015

DVS: Wat vind je van schuine staartstukken?

Mijn kritiek daarop is dat het vaak bijna onmogelijk is om die staartstukken achter de kam perfect (af)gestemd te krijgen. En zolang dat niet lukt, komt dat staartstuk niet tot zijn recht. Het is geen nieuw idee, en het is een vrij duur verhaal. Misschien geeft het de speler meer zelfvertrouwen, een “onoverwinnelijk” gevoel, maar ik constateer dat een heleboel spelers daar toch weer vanaf stappen.

Ik heb veel aandacht voor de afstand tussen kam en staartstuk, en voor de kwaliteit van de lus van het staartstuk. Of die lus van kevlar of van plastic is, dat maakt een behoorlijk verschil.

Maar belangrijker dan zulke innovaties vind ik, dat mensen goed met hun instrumenten om kunnen gaan. En daar gaat mijn lezing straks over!

Jan van der Elst geeft zijn lezing tijdens de 3e Nationaal Altvioolbijeenkomst in Splendor Amsterdam, 18 februari 2017 om 16:30u. Volledige programma-informatie hier.

Links:

Jan van der Elst, website

Newark School of Violin Building (artikel in Amati magazine)

Amsterdam Altvioolfestival 2017


English Version:

The importance of the middle voice as an integrating force in music is commonly recognised. It is a crucial but yet often introverted voice. The impact of the viola is often noticed most when, for whatever reason, its voice temporarily falls silent. The ensemble suddenly sounds weak and incoherent. Everyone present, except perhaps for a first violin, will long for the return of the friendly bronze sound.

The technical demands on the viola have increased significantly over time. The sonorous middle voice must nowadays also be able to make a big sound in order to draw attention. As a result, violas are currently made in a multitude of sizes and innovative shapes, leading to a great variety of timbres.

The Dordrecht-based luthier Jan van der Elst has taken a particular interest in the viola and violists, having developed and built violas for more than 20 years. During the Amsterdam Viola Festival, he will give a presentation on instrument maintenance, with practical advice to improve the everyday life of viola players. No needlessly theoretical explanations, just best practices to care for your favourite instrument, the viola.

DVS: How did you start with violin making?

The usual path is to seek an education at a violin making school, and then to find an apprenticeship in a master’s workshop. But I actually did it exactly the other way around. I started as an apprentice with luthier Robert Walters in Rotterdam (known to many as “Rob viool”, passed away in 2013 – red.). I built my first violin there. After that, in the mid-1980s, I went to the school in Newark-on-Trent, in England. It was very difficult to get admitted to this school, but thanks to my experience and the violin that I could show as proof of my skills, I made it in.

DVS: Did you then learn how to build all string instruments?

No, you start with the violin. Building a violin is not necessarily harder or easier than a viola or a cello, but it is simpler for the course organisation at school when everyone builds roughly the same. Furthermore, building a violin incurs less financial risk than the larger instruments, as you will lose less expensive wood, should the project fail.

Our school building had formerly been a bank. The school had 3 years, each with 12 students. The workshop spaces were simply too small to allow everyone to build a cello or a double bass. In the third year you could choose to build a cello, but for your final exam you had to build a violin, a Stradivarius model. To this day I have never built a cello.

DVS: So how did you end up building violas?

I built my first viola during my second year at school. That is the instrument which Karin (Dolman, red.) is still playing. Ik took it back to the Netherlands while the varnish wasn’t even finished. I didn’t like the sound it made, so I shelved it as a failed project.

At that time, Karin was principal violist of the NJO (the Dutch Youth Orchestra), and she had a quite small but expensive viola. We didn’t have a relationship at that time, she just lived here down the street. She did like my first viola, and she was encouraged by the proposition that a larger viola would better suit her status as principal violist! So this is how I got to know Karin, and since then I have taken an ever increasing interest in both Karin and violas.

DVS: Are your viola customers different from violinists, for example?

Violists are much more easy-going. It’s not that they are less demanding, but they often turn out to be more intelligent than their colleagues suspect. They can see the big picture, so they are less self-obsessed. They are team players, accustomed to the connecting role as a middle voice. This requires and supports a certain character, a certain outlook.  You see viola societies, viola festivals etc. – but no equivalents for violinists. This is probably due to the specific role of the viola.

DVS: Are your violas based on a particular idea or a model that you have developed?

Dutch can be a clumsy language at times, but I really like the clarity of the word “altviool”. It truly captures its nature as an “alto violin”, rather than a “tenor cello”. So my goal is not to make a Max Möller-like viola, which sounds very deep. Sure, in a symphony orchestra it is good to have a few very deep violas. But in a string quartet, you could easily end up getting in the way of the cello with such a sound. So my principle idea is to use the name “alto violin” as a starting point.

My first viola (the one that Karin now plays) is a Guarneri model, a quite standard model for a modern viola, which has a decent depth of voice, but can also hold its own as a soloist instrument. I have chosen a specific design of Bartolomeo Guarneri Del Gesù (the grandson of Andrea Guarneri), who did not build violas himself. From this I have developed my own viola. The standard size is 41.7cm, based on a 37.5cm mensur. A couple of months ago, I designed my first smaller model: 40.5cm.

I also tried a relatively small-dimensioned Maggini model, however I found that this was just not “my thing”, so I didn’t pursue that path further. So all in all I have made four different viola models, over the years.

DVS: Do you have any other developments in mind for the future?

Well, it’s really already quite a big step for me to make a smaller viola. The viola market is really quite small. But who knows… !

I like to build violins too, but they can fail miserably, with no sound at all. Everything is so close together, so a small inaccuracy can have big consequences. With violas, that risk is smaller.

The fun thing about the viola is that its size and shape is much less fixed than the violin. And also the opinions about how a viola should sound vary a lot. Personally I prefer a clear and bright sound.

A real-life example: A while ago, someone came to my shop to try out certain types of viola. I had six or seven of them lined up. In the end, two of them were left over as final candidates. One very dark instrument, which sounded by far most pleasant in the confined acoustics of my shop; and a less sonorous instrument with more brightness in the timbre. Then Karin took both instruments to my workshop down the hall and played from there: In this situation, the sound from the brighter viola reaching the shop room won hands-down, and even sounded deeper. On such instruments, the lower tones are amplified thanks to the higher tones. I find that fascinating, and I have made this my ideal viola sound. If you don’t have that component of brightness in your sound, then you may lose everything. So that’s why it is called a “tenor violin”.

DVS: What else would you like to share with the viola community?

One of my pet issues is the tailpiece! A tailpiece should always have built-in fine tuners. Many violists use steel strings, which are really difficult to tune with the big pegs. I really don’t understand why not all tailpieces are made this way. There’s a lot of innovation going into string technology, but tailpieces seem to have been lagging behind the developments. The plastic tailpieces they make nowadays aren’t always so strong, and they’re often quite ugly as well. The old wooden tailpieces usually had a hopelessly impractical “push” system for the string fastening. But this year, we expect a new model tailpiece with a greatly improved fine tuning mechanism. I can’t wait to get those!

DVS: What is your opinion of tapered tailpieces?

My beef with tapered tailpieces is that they are often impossible to get perfectly tuned behind the bridge, therefore they rarely ever achieve the promised potential. It is not a new idea, and it’s quite an expensive change to make. Maybe it gives the player more confidence, a feeling of “invincibility”, but my observation is that a lot of players are abandoning this tailpiece design.

I do pay a lot of attention to optimising the distance between the bridge and the tailpiece, and to the material quality of the tail gut. It makes a great difference whether this is made of e.g. kevlar or plastic.

But even more important than such innovations is the care and maintenance for your instrument. And that will be the topic of my lecture!

Jan van der Elst gives his lecture during the 3e National Viola Assembly in Splendor Amsterdam, on February 18th 2017, at 16:30h. Complete programme information here.

Links:

Jan van der Elst, website

Newark School of Violin Building (article, Amati magazine)

Amsterdam Viola Festival 2017

 


Verslag Masterclass Richard Wolfe

Utrecht, 14 januari 201720170114_021

Deze workshop “Ter voorbereiding van het Nationaal Altvioolconcours 2017” werd door de doelgroep aanvankelijk wat afwachtend bekeken: Welke van de 20 concours-deelnemers zouden het lef hebben (“just watch this!“) om hun spel in een openbare masterclass te laten bekritiseren door conservatoriumdocent en NedPhO-aanvoerder Richard Wolfe?

Uiteindelijk heeft de leergierigheid het gewonnen van de verlegenheid: Wie niet waagt, die niet wint! De vijf moedigen waren:

  • Esther Fernandez Olalla (Codarts),
  • Raquel Sanchez Gonzalez (Codarts, hors concours),
  • Kardelen Buruk (KonCon),
  • Martin Moriarty (CvA)
  • William Murray (CvA). .

Helaas was de pianist ziek, dus het moest allemaal zonder begeleiding, maar dat mocht de pret niet drukken.

Het “Konzertstück” van Enescu is één van de drie verplichte werken in de eerste ronde van het concours. De overige twee verplichte werken zijn: Een Mozart-duet viool/altviool en een opdrachtscompositie van Oene van Geel, die pas vorig week is uitgegeven.

Vandaar dat bijna alle deelnemers ervoor hadden gekozen om aan het stuk van Enescu te werken in de masterclass. Dit is een echte “Pièce de concours“, geschreven voor de eindexamens bij het conservatorium in Parijs (vorig jaar heeft de DVS over deze categorie stukken een aparte workshop gegeven). Het bevat een groot aantal technische uitdagingen, die allemaal binnen 10 minuutjes de revu passeren: Arpeggio’s, chromatische toonladders, van laag tot heel hoog, akelige dubbelgrepen, noem maar op.

Sommigen maken grote indruk met zeer precies en virtuoos linkerhandwerk, maar hebben dan weer moeite met stokindeling, adem en frasering. Anderen zijn onzeker mbt de intonatie op dubbelgrepen. Sommigen hebben moeite om genoeg klank te produceren in de uitbundige passages, anderen vinden juist een uitdaging in het maken van een voldoende subtiele pianissimo. Een terugkerend gespreksonderwerp van de docent is het verbinden van noten en frasen en de rol van streek en vibrato hierbij.

Ondanks dat ik me had voorgenomen om geen individuele prestaties met naam te noemen, wil ik toch twee uitzonderingen maken:

Ten eerste Raquel Sanchez Gonzalez (Codarts), die geen concoursdeelnemer is, maar heeft laten horen dat ze met haar Walton-concert goed bezig is.

Ten tweede William Murray, die niet alleen in bezit is van een erg mooie Amati altviool, maar tevens een verpletterende Hindemith op.25/1 in huis blijkt te hebben.

De deelnemers (en toehoorders) hebben veel inspiratie opgedaan bij deze uitgebreide masterclass-dag, wat dat betreft is het Nationaal Altvioolconcours, dat over een maand begint, opeens heel veel dichterbij gekomen. Veel dank aan Richard Wolfe! En wij wensen iedereen heel veel succes met de laatste weken van concoursvoorbereidingen!

Kristofer G. Skaug

20170114_029 20170114_037

20170114_04520170114_053

 

 

 

 

 

 

20170114_054

 


DVS Jaarverslag 2016

Stichting Dutch Viola Society (DVS)

Hieronder lichten we in detail toe wat er allemaal door en met DVS in 2016 tot stand gekomen is.

Georganiseerde cursussen 2016

DVS heeft dit jaar bij twee jeugdorkesten introductiecursussen altviool aangeboden. Domstad Jeugdorkest en het Rotterdams Jeugd Symfonie Orkest Verder heeft DVS door een jaarlijkse bijdrage wederom korting voor Vrienden mogelijk gemaakt op de cursus van Gisella Bergman.

Georganiseerde Workshops 2016

Zaterdag 9 januari 2016 workshop Performance with a Wink ? Ro Krauss + TALENTNIGHT – o.a. studenten KonCon presenteren geleerde workshop, Muziekacademie Den Haag

Zaterdag 6 februari 2016 Workshop “in de keuken van…” met Prunella Pacey, Driebergen

Zondag 27 november Workshop met Frank Brakkee, Bussum (afgelast)

Georganiseerde Masterclasses 2016

Woensdag 11 mei 2016 Masterclass Geneviève Strosser, Den Haag

Zondag 22 mei 2016 Masterclass voor conservatorium studenten “Pièces de concours” door Karin Dolman, in het kader van het Jagthuisfestival

Internationaal Altvioolcongres (IVC 2016)

Cremona, Italië; 4 t/m 8 oktober 2016
Nederlandse bijdragen:
– Lezing over historische altvioolopnames, door Kolja Meeuwsen (KC)
– Recital “New Dutch VIola Music” met nieuwe werken gecomponeerd en uitgevoerd door studenten van Codarts Rotterdam en het Koninklijk Conservatorium Den Haag
– Deelname aan straatmuziek en altvioolorkest
– Eregasten/solisten Michaël Kugel en Dana Zemtsov namens Nederland
Meer details over dit congres: Lees hier.

Website
Aankondigingen, nieuwsberichten en verslaggeving op de website in verband met DVS workshops, masterclasses, evenementen en concerten, belangrijke vacatures en benoemingen bij orkesten en conservatoria. Dit wordt tevens doorgegeven via social media (Twitter en Facebook).

Daarnaast worden met enige regelmaat interviews met toonaangevende altviolisten gepubliceerd, vaak in verband met onze eigen masterclasses en congressen. In 2016 is er slechts één interview gepubliceerd: Genevieve Strosser.

Achtergrondinformatie wordt ook aangeboden via de website, zoals:
Carrièretips voor jongeren die een beroepsopleiding altviool overwegen
– Informatie over concoursen voor altviolisten
– Overzicht van zomercursussen altviool in binnen- en buitenland
– Een unieke repertoirelijst altvioolensembles gepubliceerd en regelmatig bijgewerkt
– Een unieke concertagenda voor concerten met altviool in de hoofdrol

Social Media
Actieve aanwezigheid op Facebook (431 pagina-likes, een toename van +74 in 2016) en Twitter (356 volgers, een toename van +86 in 2016). Naast het doorgeven/signaleren van nieuwe berichten op onze website (aankondigingen DVS events/workshops) wordt hier ook altvioolnieuws uit social media opgepakt en doorgegeven (share/retweet). De social media kanalen zijn tevens in zekere mate interactief, contact wordt gelegd en onderhouden met vrienden/volgers en verwante organisaties (binnenlands en internationaal).

Bestuursleden 2016
Karin Dolman – voorzitter
Stijn van der Schoor – secretaris
Roald van Os – penningmeester
Kristofer G. Skaug – algemeen bestuurslid / webredacteur
Emlyn Stam – algemeen bestuurslid
Iris Frederiks – student-bestuurslid

Beschermvrouwe
Sinds 2015 is oud-minister van justitie en amateur-altvioliste Winnie Sorgdrager de beschermvrouwe van stichting Dutch Viola Society.

Vrienden
Per 31 december 2016 telden we 176 geregistreerde Vrienden. Een toename van 22 Vrienden in 2016.

Vriendenvoordelen
Bij betaling van de jaarlijkse vriendenbijdrage komt een DVS-Vriend in aanmerking voor flinke korting op onze educatieve workshops en overige verwante evenementen (congres, concerten, cursussen). Hiernaast werden in 2016 de volgende specifieke DVS vriendenacties aangeboden:

Financiële verantwoording

DVS kan in 2016 (naar schatting) rekenen op totaal € 3.200 gedoneerd door 67 van onze Vrienden waarvan 20 Vrienden voor het eerst gebruik kunnen maken van de automatische incasso. 7% van deze donaties draagt DVS jaarlijks af aan de International Viola Society (IVS). Voornoemd percentage is afgesproken tussen de aangesloten Viola Societies wereldwijd. Over 2016 betalen wij € 224 aan de IVS.

Subsidiënten

In 2016 heeft DVS geen subsidies aangevraagd/ontvangen.

Kostenposten

  • In 2016 is € 2.239 besteed aan de inhuur van professionals en vergoedingen aan vrijwilligers voor het geven van masterclasses, workshops, recitals, cursussen of lezingen. De totale kosten aan inhuur zijn lager uitgevallen dan aanvankelijk begroot was en dat had vooral te maken met afgelaste workshops vanwege onvoldoende aanmeldingen
  •  Zaalhuur en overige uitgaven verband houdende met de organisatie van DVS-activiteiten bedroegen over 2015 in totaal € 834
  • Afdracht aan de International Viola Society, bankzaken, drukwerk/ porti en onkostenvergoedingen voor onze vrijwilligers.

Toekomstmuziek
Voor 2017 is de inhuur van professionals op € 1.500 inclusief btw begroot. DVS verwacht het International Viola Congress 2018 in Rotterdam te organiseren en te hosten. Hiervoor zullen in de loop van 2017 de nodige projectsubsidies worden aangevraagd en samenwerkingen met grote professionele partijen zoals het Rotterdams Philharmonisch Orkest, concertgebouw De Doelen en Rotterdams conservatorium Codarts worden aangegaan. Voor dit ambitieuze plan zal een apart financieel plan worden opgesteld.

Non-profitorganisatie DVS heeft geen structurele subsidiënt of sponsor.


Masterclass Jürgen Kussmaul in Zwolle, 18 april 2015

Drie prijswinnaars van het Britten Altvioolconcours 2015 krijgen op zaterdag 18 april een uitgebreide masterclass met altviooldocent (tevens DVS-erelid) Jürgen Kussmaul.

Kussmaul_2

Jürgen Kussmaul (niet gespiegeld)

De deelnemende jonge altviolisten zijn Steffie de Konink (13, Delfgauw), Anuschka Pedano (14, Zoetermeer) en Andrea Passalacqua (15, Den Haag). Deze openbare masterclass loopt van 13:30-17:15u is en gratis toegankelijk.

Locatie: Cultuurschip Thor, Pletterstraat 24 te Zwolle
(niet ver van het ArtEZ Conservatorium)


Interview Tabea Zimmermann

World renowned violist Tabea Zimmermann hardly needs an introduction. She has established herself firmly as an elite solo and chamber music artist. She is also one of the most sought-after viola pedagogues today. The DVS is immensely honoured to host her Masterclass this coming weekend in Utrecht, where she will work with four talented Dutch viola students. This same weekend, she will also perform Hindemith’s Der Schwanendreher twice with the Dutch Radio Philharmonic Orchestra. Amidst her busy teaching and performing schedule, she kindly found time to answer a few written questions for the DVS website.

by Kristofer G. Skaug

DVS: You started out on the viola at the unusually young age of 3. Was this a conscious choice of instrument, instead of the more usual violin or anything else?

My choice was to play music like my older siblings. Otherwise my parents would not have introduced me to the violin teacher of my sister. It was his suggestion to avoid both playing the same instruments and to make chamber music possible from the start. I joined my first string quartet at age 4 :-))

tabea-zimmermann_03_marco-borggreveDVS: Which teachers or role models inspired you most in your development as a musician?

My first teacher, the late Dietmar Mantel, influenced me most. But it took a long time until I realized that. My second teacher, Ulrich Koch in Freiburg, tried very hard to give me more stability (less flexibility) and to make me follow his rules of equal bow speed throughout a phrase, same speed vibrato etc.

When I studied with Sandor Vegh later, I understood that all the fantasy, flexibility etc were actually wonderful qualities!


DVS: Do you feel a belonging or affinity to a particular ‘school’ of viola playing (and teaching), and if so, which school would that be?

No particular school is big enough or wide enough for all styles. I like to look out for a maximum freedom in a very strict text. Technique according to musical context, not according to school.

DVS: Which traits or capabilities do you seek to nurture most in your students?

The capability to come to an individual judgement, based on knowledge, skills, taste, and abilities.

DVS: The viola is often described as a particularly ‘sensuous’ instrument.
This would imply that development of the senses and imagination play an important role. How do you go about consciously cultivating these capabilities?

It helps to imagine before playing. Singing, clapping or speaking the rhythm, imagining bow movement or left hand activity, there are many ways to ‘unsettle’ old habits.

DVS: Is there such a thing as a healthy balance between compulsive practice and complacency for a would-be musician?

I try to show ways to enjoy the practicing part. This is the most precious time we have to explore, develop, learn etc.

If it feels like a compulsion, you are on the wrong way…..

DVS: On this visit, you will be performing the Schwanendreher. Why do violists never seem to tire of Hindemith, where so many other musicians seem to hold a noncommittal opinion of him? Is Hindemith’s viola legacy somehow musically stronger than his other compositions?

I can only speak for myself. I find Hindemith a great composer and I would like to see more of his music on the big programs, but the truth is also that if I had concerti by Mozart, Beethoven, Brahms, Sibelius, Tchaikovsky, Glazunov, Berg, and Stravinsky to choose from, I would probably play a bit less of the Hindemith…

DVS: There seems to be a very strong “viola culture” in Germany, compared to other European countries. Would you agree, and if so, how would you explain this?

Unfortunately I cannot agree! I would love to see many more young German Violists…..

DVS: Which dreams are still on your ‘bucket list’, and (how) are you planning to pursue them?

I would love to know a lot more about music!!!

But apart from that, my secret probably was so far that I did not plan far ahead but took the opportunities as they came along and tried to make the best out of it.

Many wonderful crossings in my life just ‘happened’.

Stay open, do the best you can in any given situation and share your experience with others…

Information about the DVS Masterclass on March 21st can be found here. Information about the performances of the Schwanendreher can be found here (March 20th, Utrecht) and here (March 22nd, Amsterdam).


Update Repertoirelijst voor Altvioolensembles

English translation belowMuziekbubbels

De DVS Repertoirelijst voor Altvioolensembles is zojuist in een nieuwe uitgave verschenen (revisie 9), met 35 toegevoegde werken en een heleboel nieuwe/verbeterde details voor bestaande items.

Onder de nieuwe stukken bevinden zich o.a. eigen DVS bewerkingen van Bach’s Ricercare a 6 uit het Musikalisches Opfer, en een hele leuke Scherzo uit het strijksextet van Louis Glass. Verder nog een altvioolkwartetversie van Awakenings van Oene van Geel, en een aantal nieuwe opdrachtscomposities afkomstig uit de diverse altvioolcongressen en -festivals van afgelopen jaar.

Kijk snel op onze speciale pagina voor Bladmuziek!

English translation:

A new issue of the DVS Repertoire List for Viola Ensembles has just been released (revision 9), with 35 added works and a number of new/improved details for already-listed items.

Among the new pieces you will find e.g. DVS transcriptions of Bach’s Ricercare a 6 from the Musikalisches Opfer, and a Scherzo from the string sextet by Louis Glass. Furthermore there is a viola quartet version of Awakenings by Oene van Geel (Dutch jazz violist), and a number of new commissioned works arising from various viola festivals and congresses in the past year.

Have a look on our Sheet Music page!


Interview Mikhail Zemtsov

door Kristofer G. Skaug

English translation below

De russische altviolist Mikhail Zemtsov is aan de oevers van de Volga geboren. Als jong talent werd hij aangenomen bij het Tsjaikovsky conservatorium in Moskou. De muziek bracht hem de hele wereld rond, via Mexico en Noorwegen uiteindelijk naar Nederland, waar hij in de leer ging bij Michael Kugel. Samen met zijn vrouw Julia Dinerstein heeft hij zich diep genesteld in de nederlandse altvioolwereld, en ook hun dochter Dana timmert al een tijdje aan de weg als professionele altvioliste. Mikhail heeft ruim 13 jaar als solo-altist bij het Residentie Orkest gewerkt, een loopbaan die hij dit weekend afsluit met twee uitvoeringen van het Altvioolconcert van Bartok in de Dr. Anton Philipszaal. De DVS sprak Mikhail bij deze mijlpaal in zijn carrière.

Mikhail_Zemtsov_2DVS: Ondanks je oer-russische achtergrond heb je het grootste deel van je carriere buiten Rusland gewoond en gewerkt. Hoe begon die reis?

Ik ontmoette mijn vrouw Julia bij het conservatorium in Moskou. Op een gegeven moment wilden haar ouders met twee jongere broers naar Mexico verhuizen, en Julia en ik kwamen mee om ze te helpen zich daar te vestigen. Daar bood zich opeens de kans op een baan bij het Nationaal Orkest van Mexico in Mexico City. Ik kon via-via snel een altviool lenen om auditie te doen, en kreeg gelukkig de baan. We hebben in Mexico echt fantastische jaren doorgebracht, daar zijn ook onze kinderen geboren. Maar op een gegeven moment kregen we het gevoel dat we nog veel meer wilden leren, en de kansen voor professionele groei in Mexico bleken te beperkt te zijn. We zochten de weg terug naar Europa.

De eerste kans kregen wij bij het Stavanger Symfonieorkest (Noorwegen). Cultureel gezien is dat ook een wel erg ‘rustige’ plek, maar dat was op zich niet slecht, want we konden zo meer aandacht besteden aan onze jonge kinderen, en zo was er tenminste ook genoeg tijd om goed te studeren!

DVS: Hoe kwam je bij Michael Kugel terecht, en wat heb je bij hem geleerd?

Ik ontmoette Kugel voor het eerst bij het L. Tertis Concours in Isle of Man, daar zat hij in de jury. Hij moedigde mij aan om meer aandacht te besteden aan mijn ontwikkeling. Enkele jaren later heb ik dat advies opgevolgd, en heb ik me ingeschreven bij het conservatorium in Gent om bij hem les te nemen.

Ik heb ongelofelijk veel van die man geleerd, over houding, handen, techniek, muziek. Hij is een fantastische musicus, componist, dirigent, heel geleerd. Hij zoekt alles tot de bodem uit, over het stuk en de componist. En hij is zelf ook altijd in beweging. Als je na een half jaar terugkomt dan kan er opeens van alles veranderen aan een stuk dat je eerder al ingestudeerd had.

In het begin kon ik op en neer reizen vanuit Stavanger, maar dat was op den duur toch niet vol te houden. Van Kugel heb ik over het Residentie Orkest gehoord, volgens hem behoort dit orkest tot de wereldtop. Dus toen de aanvoerder van de altviolen Andrew Sparrow mij belde met het voorstel om een week te komen aanvoeren, was ik meteen geinteresseerd. Toevallig vond de officiële auditie voor de aanvoerdersplek in de daarop volgende week al plaats. Ik was heel blij met die baan. Zo kon ik ook bij Kugel verder studeren in Maastricht.

DVS: Welke bijzondere hoogtepunten zou je willen noemen uit je tijd bij het Residentie Orkest?

Er zijn heel veel mooie herinneringen. In 2001, ik was pas net aangenomen, gingen we op een groot tournee met Jaap van Zweden, o.a. naar Zuid-Amerika. En tournees in Europa, met concerten in mooie zalen, in Wenen (Musikverein), Budapest enzovoort .

De tijdperk met Neeme Järvi als chefdirigent was heel bijzonder, van hem heb ik heel veel geleerd. We hebben met Järvi o.a. de 7e symfonie van Mahler opgenomen op CD, waarvoor we de “Toblacher Komponierhäuschen” prijs kregen, een speciale Mahler-prijs. Ik koester ook de solo-optredens die ik met het orkest mocht spelen, o.a. het dubbelconcert van Britten, Harold en Italie van Berlioz en het Rhapsodie-Concerto van Martinu.

DVS: Je verlaat nu dus het Residentie Orkest en gaat op kamermuzikaal avontuur met het Utrecht String Quartet. Is dat iets dat je al heel lang had willen doen, een strijkkwartet?

Ja, ik had er altijd van gedroomd om in een goed strijkkwartet te mogen spelen! Ik heb in het verleden vaker auditie gedaan bij diverse kwartetten, maar op een of andere manier wilde dat alsmaar niet lukken. Bij het USQ gebeurde het allemaal heel natuurlijk: eerst hebben we een aantal keer kwintetten (met twee altviolen) gespeeld, daarna ben ik een paar keer ingesprongen als vervanger voor Joël Waterman. Op een dag vroegen de collega’s of ik met het kwartet op een fotoshoot wilde verschijnen. Toen pas vertelden ze mij ook dat Joël het kwartet had verlaten en dat ze mij als vaste altviolist wilden.

DVS: De meeste kwartetten beginnen al jong samen, je bent relatief laat ingestapt.

Inderdaad, ze zijn al 30 jaar bezig! Het is een hele eer om zulke goede altviolisten op te mogen volgen: Daniel Raiskin, Sven-Arne Tepl, Asdis Valdimarsdóttir en Joël Waterman.

DVS: En dan het Zemtsov Altvioolkwartet. Was dat jouw idee?

Nee, het was eigenlijk Kugel, die was gecharmeerd van het idee van een familie-ensemble. Met mijn broer Alexander, mijn vrouw Julia en dochter Dana samen spelen is iets bijzonders. Maar het heeft eerst vele jaren in de lucht gehangen zonder concrete vormen te nemen. In 2010 werden we uitgenodigd bij het Grachtenfestival in de kruizing van twee concertseries: “bijzondere ensembles” en “muziekfamilies”. Toen moesten we nog repertoire uitzoeken en iets instuderen. Hiermee is het kwartet dus gevormd.

Als spin-off van onze familie-ensemble is de Zemtsov Stichting ontstaan, waarmee we bijvoorbeeld masterclasses organiseren. Zo geven we eind april een intensieve 5-daagse cursus in Heemstede voor jonge altviooltalenten.

Een ander belangrijk doel van onze stichting is om getalenteerde (altviool)studenten uit arme landen (bijvoorbeeld Colombia of Oekraïne) een kans te geven om hier in Nederland te studeren. Op 28 maart om 20:00 organiseren we een benefietconcert in het Conservatorium van Utrecht, waarbij de wereldberoemde dirigent Lev Markiz het Kamerorkest van het Conservatorium zal leiden.

Mikhail is morgenmiddag 8 maart nog te horen in het altvioolconcert van Bartok, met het Residentie Orkest in de Anton Philipszaal te Den Haag.

English translation:

Russian-born violist Mikhail Zemtsov enrolled as young talent at the Tchaikovsky Conservatory in Moscow. He since travelled the world, ending up in The Netherlands, where he served apprenticeship with Michael Kugel. Together with his wife Julia Dinerstein, he has entrenched himself deeply in the Dutch viola community, and now also their daughter Dana Zemtsov is building a career as a violist. For more than 13 years, Mikhail has served as the solo violist of The Hague Philharmonic Orchestra (Residentie Orkest), and this weekend the milestone of his departure from this job is honoured by two solo performances of Bartok’s viola concerto.

DVS: In spite of your very Russian background, you spent most of your career outside of Russia. How did this journey begin?

I met my wife Julia at the conservatory in Moscow. At a certain point her parents and two younger brothers wanted to move to Mexico, and Julia and I came along to help them get settled. Unexpectedly there was a job opportunity in the National Orchestra of Mexico, in Mexico City. I was able to borrow a viola to do the audition, and was fortunate to get the job. We had a fantastic time in Mexico, where our children were born. But after a while we had the feeling that we wanted to learn more, and the opportunities for professional growth in Mexico were too limited. So we sought our way back to Europe.

We had an opportunity to work at the Stavanger Symphony orchestra (Norway). Culturally speaking that was still a quite ‘peaceful’ place, which wasn’t all bad, as we had young children at the time, in need of our attention. And there was certainly always enough time to get some decent practicing done!

DVS: How did you end up with Michael Kugel, and what did you learn from him?

I first met Kugel at the L. Tertis Concours on the Isle of Man, where he sat on the jury. He encouraged me to pay more attention to my own development. A few years later I was able to act on that advice, and I enrolled at the conservatory of Gent (Belgium) to study with him.

I learnt incredibly much from that man, about posture, hands, technique, music. He is an amazing musician, composer, conductor, very learned. He researches everything in minute detail, about the piece and the composer. And he himself is always developing, too. If you return to him with a previously studied piece, half a year later he can have completely new insights.

In the beginning I tried to travel back and forth from Stavanger, but that couldn’t be sustained for long. Kugel first told me about the Hague Philharmonic, according to him a world class orchestra. So when the (then-) principal violist Andrew Sparrow called to invite me for a week of trying out, I was immediately interested. Coincindentally, the official auditions for the principal job took place the next week after that. I was very happy to get this job. This way I could also continue my studies with Kugel, in Maastricht.

DVS: Which special highlights would you mention, from your time in this orchestra?

There are so many good memories. In 2001 for example, I had only just started, we went on an extensive tour with Jaap van Zweden, to South America. There were also tours in Europe with concerts in beautiful halls, Vienna (Musikverein), Budapest and so on.

The period with Neeme Järvi as chief conductor was very special, I learned a lot from him. With Järvi we recorded Mahler’s 7th Symphony, for which we were awarded the “Toblacher Komponierhäuschen” prize, a special Mahler-prize. I also cherish the various solo performances that I made with the orchestra, for example the Britten Double Concerto, Harold in Italy by Berlioz and the Rhapsody-Concerto by Martinu.

DVS: So now you leave your orchestra job to go on a musical adventure with the Utrecht String Quartet. Is the string quartet something you always wanted to do?

Yes, I had always dreamt of playing in a good quartet! In the past I have auditioned several times for quartet jobs, but somehow was never selected. At the USQ, it came very naturally. We started out playing some viola quintets. After that, I substituted for the violist Joël Waterman for a few concerts. Then one day I was asked to come to a photo shoot with the quartet. Only then did they tell me that Joël had left the quartet, and that they wanted me as their new violist.

DVS: Most quartets start out at young age together. You’re coming in relatively late.

Indeed, they’ve been at it for 30 years already! It is a great honor to be the successor of so many great violists: Daniel Raiskin, Sven-Arne Tepl, Asdis Valdimarsdóttir and Joël Waterman.

DVS: And then there is the Zemtsov Viola Quartet. Was that your idea?

No, that was actually Kugel’s idea, he was charmed by the idea of a true family ensemble. Being able to play together with my brother Alexander, my wife Julia and my daughter Dana is something very special. But it was just an idea for many years. In 2010 we were invited to the Grachtenfestival (in Amsterdam) at the junction of two concert series, ‘unusual ensembles’ and ‘musical families’. So we had to pick a programme and start rehearsing. Thus the quartet actually took form.

As a spin-off from our family ensemble, the Zemtsov Foundation was created. This foundation organizes masterclasses, such as our 5-day intensive course next month in Heemstede, for young viola talents.

Another important goal of our foundation is to help talented students from poor countries (for example Colombia or Ukraine) to come to the Netherlands for their studies. On March 28th, we organise a fundraising concert in the Utrecht Conservatory, where the Conservatory Chamber Orchestra is conducted by the world famous Lev Markiz.

Mikhail can be heard tomorrow afternoon (March 8th) as soloist in the Bartok Viola Concerto, in the Anton Philipszaal in The Hague.

 


AVF: Verslag/Recensie Dag 4 en 5

Dag 4: Zaterdag 21 februari

Verslaggever: Karin Dolman

Redactionele opmerking: Recensies worden op persoonlijke titel gepubliceerd, en vertegenwoordigen derhalve geen officiëel standpunt van de DVS.

De Dutch Viola Society heeft het druk vandaag. Terwijl in Delft een reeks altvioolweekenden begint met een masterclass van Mikhail Zemtsov, geeft Emlyn Stam namens de DVS een workshop streektechnieken aan amateurs in Amsterdam (zie onderstaande foto), en ik houd welgeteld één meisje bezig die eventueel wil overstappen naar altviool.

20150221_Emlyn_AVF

DVS-bestuurslid Emlyn Stam geeft workshop streektechnieken aan de bezoekers van het Amsterdam Viola Festival, 21/02/2015 (foto: DVS)

In de middag verplaatst zich het hele festival naar Splendor.

Daar is de kleine zaal ingericht voor de Nederlandse Groep van Viool- en Strijkstokkenmakers (NGV). Saskia Schouten (de nieuwe voorzitter van de NGV) geeft een workshop over de klank van de altviool. En natuurlijk moeten we weer oude met nieuwe instrumenten vergelijken. De uitkomst is zoals in ieder wereldwijd onderzoek, de toehoorder is van overtuigd dat oud of nieuw gelijkwaardig is. De enige die vasthoudt aan een vastgeroest idee (de ene absoluut oud, de andere absoluut nieuw) is de musicus.

Jammer is wel dat Saskia een eigen instrument van zich als leidraad had genomen (ook een beetje logisch, want je wilt jezelf ook verkopen). Had ze een willekeurig instrument van een andere bouwer genomen, was misschien de uitslag weer anders geweest.

De oude instrumenten waren allebei kleinere instrumenten die een mooie klank hebben, maar minder in volume waren dan de veel grotere alt, met een innovatief staartstuk (kunnen we zeker eens een artikel aan wijden) waardoor het instrument zowieso imposanter leek. En de ogen dicht test is dan ook niet meer maatgevend. Ik denk een mislukt experiment maar daardoor niet minder interssant.

Dan was het de beurt aan de drie winnaars van het concours. Shih Hsien Tsan speelde weer het Allegro en Adagio van Schumann in de Borisovsky-bewerking, en nu bij de tweede keer luisteren moet ik zeggen dat ik niet meer zo enthousiast ben. Door de overdadige hoeveelheid noten in de partij van de altviool toe te voegen, kan ik de melodie, zo puur opgeschreven door Schumann, niet meer volgen. Hmmm.

Lisa Eggen speelde voor ons de Hindemith sonate en weer even prachtig als tijdens het concours. Nationaal Concourswinnaar Armen Nazarian kwam met een verrassing: de eerste twee delen van de sonate van Sir Arthur Bliss. Voor de meeste mensen een onbekende sonate. Hij wordt weinig gespeeld en met name omdat het stuk niet alleen complex is voor de speler, maar ook voor de luisteraar. Armen wist het stuk goed over het voetlicht te brengen.

De pompoensoep smaakte na dit recital voortreffelijk. En uitbuikend op zolder werden we getrakteerd op allemaal korte altvioolminiatuurtjes door diverse altviolisten van docent tot student. Ikzelf heb ook aan dit onderdeel meegedaan door de Caprice Viennois te spelen. Een bewerking voor twee altviolen en piano. Aan mij de eer om dit met Lisa te mogen spelen.

Om 20.30 kwam dan nog in de “grote zaal” het altviool ensemble concert. Een waanzinnig mooi en goed gespeeld concert, waaraan alle altviolisten meededen.

Programma:
Händel Hornsuite in F voor 6 altviolen in een bewerking van Stuart Orford
Scriabin selection of Preludes voor 4 tot 8 altviolen in een bewerking van Ruben Sanderse (geweldig bewerkt Ruben!!!)
Duke Ellington Mood Indigo en Glen Miller-Joe Garland  In the Mood, beiden ook weer in een fantastische bewerking van Ruben Sanderse
Wagner Ride of the Valkyries in een bewerking van Matthew Hindson voor 8 altviolen

Na de pauze speelde het hele altvioolorkest o.l.v. Jürgen Kussmaul de wereldpremière van Maurice Horsthuis’ stuk “Cohort“,  speciaal geschreven voor het festival. Een prachtig stuk met de nodige technische hoogstandjes. Componist en altviolist zijn hierin zeker vertegenwoordigd.

Dan het stuk “Secret Society” van Jeppe Moulijn, dat voor het internationale altvioolcongres in Portugal geschreven was. Dit keer met 4 solisten van de masteropleiding in Amsterdam.

En als klap op de vuurpijl een bewerking wederom van Ruben: De Barbier van Sevilla van Rossini.
Ik verheug me al op zondag!!!!!

Dag 5: Zondag 22 februari

Verslaggever: Kristofer G. Skaug

Redactionele opmerking: Recensies worden op persoonlijke titel gepubliceerd, en vertegenwoordigen derhalve geen officiëel standpunt van de DVS.

Het slotconcert op zondagmiddag was in grote lijnen een reprise van de zaterdagavond in Splendor.

Met één belangrijke uitzondering, het eerste stuk, de beroemde Chaconne van Bach,  bewerkt voor 4 altviolen (ik geloof de versie van I. Nodaira) en met barokstokken ten gehore gebracht door de docenten van het Conservatorium (Richard Wolfe, Francien Schatborn, Marjolein Dispa en Judith Wijzenbeek). Hoewel er gedeelde meningen bestaan over de geslaagdheid van deze bewerking, vond ik het voornamelijk erg mooi en boeiend om te horen hoe de diverse stemmen in deze oorspronkelijk voor soloviool geschreven vingerkraker opeens individueel mooi doorgezongen worden. Heerlijk! Ook werd leuk gespeeld met ritmische patronen die (het effect van) diverse vormen van arpeggio nabootsen en uitvergroten.

Als verzamelaar van repertoire voor altvioolensembles voel ik mij bij dit programma als jongetje in een snoepwinkel. Ik kon het feestje in Splendor gisteravond niet bijwonen, en hier wacht de ene na de andere verrassing!

De hoornsuite van Händel, de stukjes van Scriabin: Leuk gespeeld en heerlijke ensembleklanken. De “Ïn the Mood” van Glenn Miller toonde weer eens aan hoe een altvioolensemble het geluid van een big band heel aardig kan benaderen (deze bewerking hoorde ik dan ook voor het eerst bij het ViolaViola festival in mei vorig jaar, waar dhr. Ruben Sanderse ook deelnam in de Viola Big Band van Esther Apituley). Een blijvertje!

Tot slot voor de pauze een klassieker onder de altvioolensemblestukken, in de categorie “voor de lol op de groepsrepetitie”. Echter qua technische eisen te moeilijk om van blad te spelen voor de meeste amateurs. En de masterstudenten hadden er zo te horen nog hard aan gewerkt ook, want het klonk echt geweldig, op zo’n niveau wordt dit stuk volgens mij zelden uitgevoerd.

IMG_0752_flat

Jurgen Kussmaul dirigeert het altvioolorkest in de uitsmijter van Rossini (foto: DVS)

Na de pauze kwam repertoire voor groot altvioolorkest aan bod, onder leiding van maestro (tevens DVS-erelid) Jürgen Kussmaul: Eerst de opdrachtscompositie “Cohort” van Maurice Horsthuis; gisteren in de wereldpremiere, vandaag gewoon nog een keer omdat het zo leuk was. Dito voor het stuk “Secret Society” van Jeppe Moulijn. Sfeervol en mysterieus, met vloeiende en zeer expressieve motiefjes in de solostemmen. Deze muziek verdient absoluut een groter publiek!

De ouverture “Il Barbiere di Sevilla” van Rossini dient als feestelijke uitsmijter.  Wederom veel en terecht applaus voor het vakwerk van arrangeur Ruben Sanderse. Maar vooral hartsgrondelijk applaus voor de organisatie van het festival: De stafleden van het Conservatorium, met Francien Schatborn als frontfiguur. En natuurlijk een hele leger van goede helpers.

Dank ook namens de DVS in het bijzonder voor de goede samenwerking rondom deze editie van het festival, en voor het enthousiasme waarmee Francien ons heeft gepromoot vanaf het podium. Zo hebben zich afgelopen week veel nieuwe vrienden aangemeld bij onze stand, en zijn er zestien serieuze kandidaten voor de masterclass met Tabea Zimmermann volgende maand!

Tot over 2 jaar weer!